zondag 15 mei 2005

Jeugdherinneringen aan dorpskern Renkum en Jufferswaard (1).

Dit artikel is eerder gepubliceerd, in Echo's van zes dorpen, mei 2005, pp. 12-25

(VOORLOPIG MET ILLUSTRATIES VAN BEPERKTE KWALITEIT)

door G.A. W. van der Schouw

In vroeger tijden, omstreeks het jaar 900, lag de dorpskern van Renkum tussen het einde van het Renkumse beekdal en het begin van de Bokkedijk, richting Wageningen. Deze kern lag op de "Wageningse Berg" nabij de Holleweg, de weg naar het Lexkesveer. De afstand van Renkum naar Wageningen was toen ca.3 km. Deze kernen zijn in de laatste 1000 jaar respectievelijk in oostelijke en westelijke richting uitgebreid zodat nu de afstand tussen deze kernen ca.5 km bedraagt.

Via een rondje Dorpsstraat - Veenveg - Zomerkade - Melkdam - Utrechtseweg / Dorpsstraat hoop ik een steentje bij te dragen aan de historie van het Renkumse dorpsleven omstreeks 1936 / 1944. We beginnen bij de winkel van slager van Beek (1), waar ik één van mijn mooiste herinneringen heb beleefd. Ik wil mijn verhaal graag beginnen met de foto van de Oranjeboog, op 31 augustus 1938, ter ere van het 40-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina.

Afbeelding: Ereboog t.a.v. 40-jarig regeringsjubileum van KoninginWilhelmina. Hoek Dorpsstraat/Achterdorpsstraat Renkum 1938. (Foto collectie G.A.W. van der Schouw).

Dit was op de hoek van de Achterdorpsstraat en de Dorpsstraat, waar je o.a. op de kruidenierswinkel van Jantje J. Jacobs keek. Deze boog werd gesponsord door de middenstand en geplaatst door de buurt. De torens werden van steigerpalen en booghout van bouwbedrijf v.d. Born uit de Kerkstraat gebouwd en de rollen kippengaas, aangeleverd door de smid Jansen, werden om het bouwwerk vast getimmerd. De bloeiende heide werd met paard en wagen gebracht en in het kippengaas gestoken. De bordjes 1898 en 1938 werden gemaakt door de familie v.d. Schouw. Onder deze bordjes kwamen oranje strikken en op de punten van de torens werden oranje vlaggen geplaatst. Op het midden van de boog kwam een schild met in het midden een waaier, waar vanuit een oranje baan liep, en de beide zijden werden gedrapeerd met rood - wit - blauw. Toen de boog klaar was, kwam fotograaf Dijken uit Heelsum en zette alle makers van de boog op foto!
Nu gaan we verder en steken het begin van de Achterdorpsstraat over en komen op de Dorpsstraat uit, bij het postkantoor. Aan de oostzijde boven het kantoor en de loketten, op huisnummer 9a, woonde de badmeester, "Levinson". Het postkantoor zelf had nr.9 en het woonhuis nr.l 1. Daar woonde de fam. Buddingh met hun zoon Wim en dochter Miep. De heer Buddingh was toen directeur van het postkantoor. Er lag ook een stukje tuin, dat bij woonhuis nr.11 behoorde.
Vervolgens kwam men bij het café van L.A. Corton met o.a. dochter Lien. Daarnaast de fam. v. Swaay (later Smits), die in manufacturen en kleingoed deed, d.w.z. naast kleding ook stopzijde, knopen en garens enz.. Dan volgde een smalle hoge stoep van 2 treden naar Dorpsstraat 23 en belandde men in de schoenenwinkel van L. Delsink, die tevens aan de achterzijde van het pand een schoenmakerij bezat, die aan de Achterdorpsstraat lag. Naast de schoenmaker zat bakker Buddingh met zijn heerlijke Renkumse Ringen. Daar was in de decembermaand een extra etalage met suikergoed en marsepein.

Afbeelding: Detail van een luchtfoto uit 1944 van het dorpscentrum van Renkum (zie ook pagina 16, 17 en 18) waarop de route staat aangegeven van de in dit artikel genoemde huizen. (Bron: Collectie G.A. W. van der Schouw / W.U.R.).

Als wij dan als kinderen bij de bakker speelden, vroeg hij naar onze namen en dan spoot hij onze naam met een puntzakje gevuld met vloeibare chocolade op een velletje papier en dit moesten we thuis laten zien. Zo had hij rap de kinderen uit de bakkerij. De bakker had 2 kinderen te weten dochter Bep en zoon Steven, die later lste burger van de gemeente Steenderen werd. Vervolgens kwam de elektrozaak van "Meta" met in hoofdzaak lampen, op allerlei gebied. Daarnaast wat open ruimte, om dan het volgende woonblok aan te treffen, waarin aan de oostzijde de fam. Remmerden woonde.

Route:
Nr. l Dorpsstraat 7a(?)- winkel slager D.v. Beek
Nr.2 Kerkstraat - Ned. Herv. Kerk
Nr.3 Dorpsstraat - villa "Margaretha"
Nr.3a Dorpsstraat - kruising Veerweg / Kerkstraat
Kr.4 Veerweg - kruising chloorbeek
Nr.5 Veerweg - kruising fabrieksspoor
Nr.6 Veerweg - luchtspoor (koïentransport)
Nr.7 Veerweg - Veerhuis
Nr.8 Veerweg - Veerkop - ïoswal
Nr.9 Zomerdijk - zandplaat (ten oosten v.d. Veerkop)
Nr.10 Zomerdijk -zwembad
Nr.11Zomerdijk - schuit van Stef v. Wamel
Nr.12, Melkdam - boerenhuis Ariëns (ovenbaas)
Nr.13 Melkdam - stulpje de Bruijn (stalknecht)
Nr.14 Zomerdijk - steenoven "Jufferswaard"
Nr.15 Zomerdijk - ligplaats rivierschepen
Nr. 16 Zomerdijk - zanddroger dhr. Gerritsen
Nr.17 Melkdam - ijsbaan IJsvereniging "Vooruit"
Nr. 18 Melkdam - drooghutten "Jufferswaard"
Nr. 19 Melkdam - eindpunt klei-opslag "Juff er s waard"
Nr.20 Melkdam - schippersbeurs Jan v. Wamel

Aan de westzijde de fa. van Norden, die een winkel in manufacturen dreef (nu schoenenzaak Delsink). Hierna weer wat open ruimte. Dan kreeg je de fa. Schaafsma met zijn zadelmakerij aan de oostzijde van het pand en een kruideniersbedrij f aan de westzijde. Ook naast het kruideniersbedrijf van Schaafsma was een open ruimte.
In het volgende pand zat de fa. Goedhart aan de oostzijde, met zijn specialiteiten in damesondergoed. Aan de westzijde van het blok was de fietsenmaker "Mastbergen" met zijn 2 zoons, Wim en Nol. De fietsen stonden in de winkel. Aan dezelfde westkant was een open steegje, dat naar de fietsenwerkplaats leidde. Voorbij dat steegje was nog een fietsenwinkel en wel van de fa. Nico v.d. Meulen, die had
zijn fietsenwerkplaats via een steeg vanaf de Kerkstraat achter zijn huis.
Naast v.d. Meulen kreeg je Vincent Richards die gespecialiseerd was in radio's en elektra. Hierna volgde tot aan de hoek van de Kerkstraat de fa.Hoefsloot, die handel dreef in meubelen. Als men dan bij Hoefsloot rechtsaf de Kerkstraat in ging, zag je na ca. 150 mr. Rechts de Ned. Herv. Kerk (2) met z'n mooie klokkentoren die bij de luchtlandingsgevechten, in september 1944, jammer genoeg verloren is gegaan!
We gaan nu even iets terug in oostelijke richting en nemen de draad weer op aan de zuidzijde van de Dorpsstraat vanaf nr.40 Huize "Margaretha" t/m de hoek van de Veerweg. Naast villa "Margaretha" aan de westzijde lag de parkeerplaats (3) voor de auto's van Hotel "Rijnzicht", nu "Rijnhof, tehuis voor bejaarden. Hotel "Rijnzicht" werd toen beheerd door Frits v. Rijswijk. Naast het hotel richting Veerweg was de fa. van Wamel, de kleermaker. Hij had 2 dochters nl. de oudste, Betsie en een paar jaar jongere zus Truus. Hiernaast was een steegje. Dan kwam de speelgoedbazaar van Wout v.d. Born, voorheen Noppen, nu de fietsenwinkel van Nol Mastbergen. Je kon daar zo fijn naar al dat mooie speelgoed kijken en je kon zo een verlanglijstje maken voor Sinterklaas.
Naast v.d. Born kreeg je slager Burgers met zoon Dick en vervolgens op de hoek van de Dorpsstraat / Veerweg de stalhouderij van Jan v. Ee, later Ben Wessels met groentezaak. Op diezelfde straathoek werd de bekende Mijntje Verwoerd in 1938 doodgereden.
Op de andere hoek van de Dorpsstraat en de Veerweg was Alben Heijn. De heer v. Drie was de chef en hij had een zoon, Henk v. Drie. Naast A.H. was C.Jamin, de snoepwinkel waar je zondagsmiddags tussen 14.00 en 17.00 uur een versnapering kon halen o. a. pinda’s of een ijsje.
Nu gaan we de Veerweg in. Aan de linkerkant (oostzijde) achter Jan v. Ee was een grote wagenschuur en stal en verderop nog 2 witgesausde huizen waarvan ik meende dat aan de ene zijde de fam. Teunissen v. Manen woonde. Van de andere zijde moet ik het antwoord schuldig blijven, daar was de "oude" schippersbeurs gevestigd.

Verder lopend richting het veer kruist men de "chloorbeek" (4), die geheel vanaf Hotel Campman ten westen van het dorp langs de zuidzijde van de Dorpsstraat maar het oosten liep, om daarna om het afvalstort van de papierfabriek heen in zuidelijke richting door het sluisje in de Zomerdijk naast de Veerkop in de Rijn uitmondde.
Voorbij de genoemde sloot kruiste ca. 50 meter verder in de Veerweg richting het veer de rails (5) van de elektrische tram, die het afval van de papierfabriek in lorries naar het afvalstort bracht, alwaar ik met opa v.d. Schouw heel wat afvalhout, afkomstig van de houtslijpers, mee mocht nemen voor brandstof in het fornuis.
Zoals ik al de linkerzijde van de Veerweg beschreef, even teruggaande vanaf de Dorpsstraat / Hoek A.H., de rechterzijde (westzijde) van de Veerweg meenemend weer in zuidelijke richting naar het veer, lag de timmerwerkplaats van de fa. Peters. Een aantal meters verderop tussen de werkplaats en de chloorsloot stond een nieuw blokje huizen, waarin o.a. de fam. Lagedijk met zoon Jan woonde. Daarna passeerde je de sloot en dan lag er een opslagplaats tot aan de tramrails van het afvaltransport, dat werd gebruikt t.b.v. reserveonderdelen zoals afsluiters, bochten en pijpstukken.
Vanaf diezelfde tramrails gerekend naar de haven, lag het kolenveld t.b.v. het stoken van de elektrische centrale. Deze kolen werden per schip aangevoerd en werden dan later naar het kolenveld getransporteerd via het luchtspoor (6). Dit vond ik erg interessant, want dat kende men toen in de hele omtrek nog niet. Het werd o.a. bediend door dhr. Gerritsen, van de van Ingenweg.
Na passage van het kolenveld en de haven komen we bij het Veerhuis (7) nabij de veerpont. Het werd eerst bewoond door Willem v. Roekel en daarna door de fam. van Rijswijk. Dit pand werd later een soort "buurthuis" voor ouderen, die hier heel wat gezellige uurtjes doorbrachten, o.a. 's morgens de "Betuwe" in voor fruit enz.,enz. en 's middags was het een kaartje leggen en "oude" verhalen vertellen.
De zandplaat ten westen van de veerpont was een verharde losplaats geworden. De familie van Stef v. Wamel met zijn oude schuit (11) was verhuisd en had een ligplaats gekozen bij de steenfabriek van Ariëns, tegenwoordig Pilo.

Afbeelding: Fabriek 'Van Gelder Zonen' met haven, rechts bij de stip de elektrische centrale en daarnaast (met ster) het 'luchtspoor' ten behoeve van het kolentransport. (Foto: Collectie G.A, W. van der Schouw).
Direct naast de veerkop rechts, op de hoek van de loswal was een rond en zwaar betonnen voetstuk (8), waaraan men een lantaarn en een bel had gemonteerd, zodat men de veerman kon oproepen als hij aan de overzijde van de rivier lag. Dit betonnen voetstuk werd in de winter van 1940, toen de dichtgevroren rivier ging kruien, door de ijsschotsen van zijn plaats gedrukt en stapelde de schotsen zich op, meters hoog op de veerkop.
Aan de andere zijde van de veerkop in oostelijke richting, dus aan de linkerzijde, was de uitmonding van de chloorsloot in de rivier. We lopen nu ca. 100 mtr. in noordelijke richting langs de sloot terug om dan rechtsaf in oostelijke richting het sluisje in de Zomerdijk over te steken. Zodra we die gepasseerd zijn, lag daar nabij de eerstvolgende krib ook een zandplaat (9) die in 1945 werd opgevuld met puin van de vernielingen uit de oorlog.
Afbeelding: Zwembad Renkum, volgens de datum op de ansichtkaart 8 juli 1930. (Foto: Collectie G.A. W. van der Schouw).

Verder wandelend via die Zomerdijk komen we bij het zwembad (10) in de Rijn, waar badmeester Levinson de scepter zwaaide en waar de beginsporen van de Renkumse Zwem Club lagen. Dit zwembad, geopend in 1929, dreef op afgesloten tonnen en bakken die onderling aan elkaar verbonden waren. Daar overheen waren planken gelegd en kleedhokjes geplaatst. Tijdens de winterperiode met ijsgang in de rivier, werd het bad naar de haven van de papierfabriek gesleept. Weer verdergaand komen we aan bij de ligplaats (11) van de voornoemde "oude" schuit van Stef v. Wamel, tegenover de moestuin van het boerenhuis (12) bij de ovenbaas Ariëns. Wes Beekhuizen schreef in zijn boek "Groen was mijn dorp" over de stalknecht "Buddingh" die in het stulpje (pub) tegen de oven woonde. In datzelfde stulpje (13) woonde omstreeks 1940 ene Bart de Bruijn, als stalknecht, die na de verwoesting van de oven door oorlogshandelingen t.g.v. de luchtlanding op 17 september 1944, naar de steenoven de "Lunenburgerwaard" te Wijk bij Duurstede is vertrokken.
Op en langs de steenoven "Jufferswaard" (14) liggen voor mij ook vele herinneringen daar er veel schippers (ook familie, zie onderstaande afbeelding) met hun schepen bij de oven lagen als ligplaats, om er eventueel een vrachtje stenen te kunnen-laden. Was er op dat moment geen vracht dan gingen de schippers via de Melkdam naar de "schippersbeurs" van Jan v. Wamel om in te schrijven voor een of andere nieuwe vracht.

Afbeelding: Gradus van der Schouw, schipper in zand en steen, geboren op 5 oktober 1866 en overleden op 15 november 1944. (Foto: Collectie G.A.W. van der Schouw).

Hierbij nog een paar jeugdherinneringen n.l. de "zanddroger" van de steenoven. Dhr. Gerritsen stond altijd vlakbij de Rijn nabij de ligplaats van de schepen, omdat hier ook het rivierzand werd gedumpt. Dit zand werd door hem met een schep op een grote schuinstaande zeef (16) geschept om de grove korrels uit het zand te halen. Het fijne zand werd gebruikt voor het inwendig zanden van de steenvorm voordat de klei in de vorm werd geperst. Dat was voor ons, als kind zijnde, een kolfje naar de hand, want een beetje zijdelings van de "berg" zand was het zand altijd vochtig. Een grotere zandbak om kastelen in te bouwen kon men nergens vinden en dhr. Gerritsen vond het prachtig. Dan speelden we met de kinderen van Stef v. Wamel, t.w. Bets, Stien en Stef, of met die van Bart de Bruijn, t.w. Antoon, Koos, Marietje en haar zusje. Ook waren de schipperskinderen van het schip "De Strijd", t.w. Arie, Annie en Cobie Wennekes vaak van de partij en dan werden er heel wat dorpen, wegen en kastelen gebouwd.

Verder wandelend via de Melkdam ging ik wel eens met vriendjes langs de vol met water staande grondput die westelijk van de Melkdam lag, want in die put zat veel kikkerdril (donderkopjes) en kleine visjes. Het was een sport om wat van die donderkopjes of visjes te vangen. Ook hoorde je dan vaak de kikkers kwaken!
In de winter tijdens de vorstperiode werd deze grondput als ijsbaan gebruikt. Ik meen dat hier de eerste sporen van de Renkumse ijsvereniging "Vooruit" liggen, met o.a. Dick Emmen van de schoenenwinkel en zijn partner Annie Koenders, die tot de "schoonrijders" van het dorp behoorden. Dan werd er vanaf de Melkdam een brede loopplank de wei ingelegd en verder een pad gebaand door het weiland naar de ijsbaan. Daar stond dan een tentje (17) voor kaartverkoop, warme drank enz.. Later is de ijsbaan verhuisd naar de hoek "Onder de Bomen / Kortenburg".
Als de vorstperiode voorbij was, kreeg men hierna i.v.m. veel smeltwater in de rivier hoog water en stroomde het water onder de drooghutten van de Jufferswaard door, over het lagere gedeelte van de Melkdam richting ijsbaan (grondput).
Maar tegen het hogere gedeelte van de Melkdam lag nog die brede afloopplank van de ijsclub. Nou een mooier vlot om te varen bestond er niet, maar je besefte toen eigenlijk te weinig, dat het met dat snelstromende water levensgevaarlijk was.
De drooghutten (18) die ik net noemde, lagen aan de oostzijde van de Melkdam. Dan doorgaande in de richting Dorpsstraat passeren we het eindpunt (19) van de klei opslag, waaraan een nare herinnering kleeft bij het vinden van een Omgekomen Engelse militair, in september 1944,
Dan volgt de weide met een uitloper van de chloorsloot die via een duiker onder de Melkdam door in oostelijke richting liep en vanaf diezelfde duiker, aan de westkant van de Melkdam had je de moestuin en de "schippersbeurs" (20) van Jan v. Wamel. Deze grensde aan het woonhuis en het café, Dorpsstraat 2, waar menigeen zijn borreltje ging halen. Om even aan de zuidzijde van de Dorpsstraat te blijven. De huisnummers 2 t/m 36 werden al eerder beknopt door mij beschreven in Echo's van zes dorpen, d.w.z. tot huize "Margaretha". (Wordt vervolgd).

Afbeelding: De opening van de schippersbeurs van Renkum in 1934 was kennelijk aanleiding tot enig feestvertoon. Onder het gevarieerde scala aan hoofddeksels gaan voornamelijk schippers schuil. De Renkumse beurs - die niet zolang daarna alweer is opgeheven - was een typisch voorbeeld van de toenmalige kleinschaligheid van de binnenvaart. Met nummer l = Dhr. Van Wamel (beheerder van de beurs), 2 = Mevr. van Wamel, 3 = Mej. van Wamel. (Foto: Collectie G.A.W. van der Schouw).

Bronnen:
• Echo's van zes dorpen, maart 2001
• Groen was mijn dorp, door Wes Beekhuizen
• Foto dorpskern: 3147 106G 2816 12 SEP 44 F/36 //541 SQDN

zaterdag 15 februari 2003

Ode aan Cees Burgsteyn

Dit gedicht is eerder gepubliceerd in Echo's van zes dorpen, feb. 2003, pp. 7-8

Geacht bestuur, dit moet toch uit m'n hart
Want 'n dankwoord aan Cees, is hier op z'n plaats.
De Renkumse dorpsgenoten verliezen 'n man met smart
Hij was toch diegene, die bestuurde tot op 't laatst.
Steeds was hij bezig, 't kan nooit stuk
Niet voor vandaag, dan wel voor morgen.
Altijd vriendelijk voor iedereen, begrip en geluk
En voor de natuur, was hij altijd vol met zorgen.
Ook was bij hem, de "historie" favoriet
Een monument, voor in het dorp te doen.
Maar de manier waarop, dat is wel uniek
Zo bleef hij doorgaan en echt niet voor de poen.
Eén van de auteurs van "Wandelen in 't Renkumse Beekdal"
Behulpzaam bij 't boek "Baksteen fabriekage in Renkun".
Toch een voorbeeld, voor niets en niemand dal
Want 't boekje 'Echo's van Zes Dorpen' is dan toch 'n unicum.
Wel was je voor historie en natuur vaak op sjouw
Toch verdien je 'n pluim op de hoed.
Al ging 't dan wel eens ten koste van je vrouw
Maar wie goed doet, toch ook goed ontmoet.
Helaas, later liet de gezondheid het wel afweten
Dan komt er een moment, dat nu is gekomen.
Al wil je nog zoveel, dan kun je het wel vergeten
Maar ik wil je vanaf deze plaats toch belonen.
En wel met dit gedicht, je bedanken
Zonder ophef en zonder klanken.
Want 's maandags stond je in de kerkzaal
Om te stimuleren aanwijzingen te geven.
Jij deed dit met plezier, voor ons allemaal
Daarom Cees "Bedankt", voor hetgeen je hebt gegeven!


Gerard van der Schouw
Berkenlaan 17,
6706 DM Wageningen

maandag 15 april 2002

Schouwburcht, 60 jaar na dato

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Echo's van zes dorpen, April 2002, pp. 5-10

VOORLOPIG IS DE ILLUSTRATIE NOG VAN BEPERKTE KWALITEIT

Door Gerard van der Schouw.

Het was augustus in 't jaar 1939 en ik werd 11 jaar, toen de Nederlandse Regering een oproep deed tot mobilisatie van het leger en alle mannen van 18 t/m 35 jaar zich moesten melden bij hun onderdeel, waaronder mijn vader Jo van der Schouw en oom Lamert Wennekes, de schipper. Op dat moment waren beiden 35 jaar oud en ook zij moesten zich melden. Mijn vader werd gelegerd te 'Gemert' in de Peellinie en oom Lamert in 'Beneden-Leeuwen', het verlengstuk van de Grebbelinie. Met de weekenden kwamen zij thuis, behalve als ze wachtdienst hadden. Dan zag je Pa of Oom maar om de 14 dagen.
Grootmoeder van der Schouw werd in dat najaar ernstig ziek en toen het tegen de Kerstdagen van '39 liep, zag dokter Swaab het erg somber in. Toch sukkelde ze de strenge winter van '40 door. Het voorjaar kwam in zicht en de Paasdagen van 1940 vielen erg vroeg, 25 en 26 maart. Grootmoeder haalde deze dagen niet en stierf op vrijdag 16 maart, 69 jaar oud en werd op dinsdag de 19e begraven.
Tijdens die mobilisatie woonde tante Marie Wennekes - van der Schouw met haar 3 kinderen Arie, Annie en Cobie (van enkele maanden oud) in ons huis op de Achterdorpsstraat l en mijn broer, zus en ik bij mijn grootvader Gradus en tante Co van der Schouw op Achterdorpsstraat 3, aangezien de beide vaders in militaire dienst bivakkeerden. Eind april werden alle verloven van de militairen ingetrokken en kregen we dus alleen nog een geruststellende brief van Pa en Oom, daarna niets meer. Vrijdags de 10e mei 1940 hoorden we vliegtuigen en via de radio vernamen we dat op deze zo mooie zonnige lentedag 's morgens vroeg de Duitsers ons land waren binnen gevallen.
Wij, als kinderen, kregen de opdracht zo dicht mogelijk bij huis te blijven met het verbod niet de straat op te gaan. Maar zo jong als je was, gingen we toch stiekem af en toe eens kijken of we in de Dorpsstraat nog geen Duitsers zagen, toch verliep die dag bij ons vrij rustig behalve dan geronk van de vliegtuigen. Alhoewel, achteraf bleek dat de Duitsers al hevige gevechten met onze Nederlandse voorposten hadden geleverd in Oosterbeek en Heelsum.
Wij hadden net om 17.00 uur brood gegeten en gingen tegen de waarschuwingen in, toch nog gauw even de straat op om te kijken of er nog niets te zien was van de bewuste Duitsers. Nou, daar kwamen we al gauw achter en ik weet het nu nog! Het was ± 17.20 uur toen daar de eerste SS-ers lopend en met motorfietsen via de Utrechtseweg / Dorpsstraat langs huize "Frisia" en het postkantoor, het dorp Renkum binnen kwamen en al schreeuwend tegen ons van "zu hause", zich een weg baanden de Dorpsstraat in richting Wageningen. We schrokken ons een hoedje en vlogen naar huis met gevolg dat we thuis ook nog op onze duvel kregen en nu verplicht Werden in huis te blijven. Als kind beseften we toen niet hoe gevaarlijk de situatie op dat moment was.
Ondertussen trokken die SS-ers dus door de Dorpsstraat naar de Bokkedijk, maar werden daar wel verrast door een mitrailleursnest van een Nederlandse vooruitgeschoven verdedigingspost, nabij het Wageningse pompstation, onder aan de Wageningse berg, alwaar dhr. Bloemers machinist was en deze SS-ers mooi de weg versperden. Hier werden de heren ook nog op het verkeerde spoor gezet doordat het Wageningse 'Prinsje' (een student van prinselijke afkomst uit
Ned. Indië, die in Wageningen aan de Landbouw Hogeschool studeerde) het bord "Grebbeberg" had geplaatst onder aan diezelfde Wageningse berg! Verdere details weet ik hier niet van, maar volgens dhr. van den Wollenberg van het 'Genealogisch en Historisch genootschap Redichem' moet er in één van de hoge bomen op de Wageningse berg ook nog een Nederlandse uitkijkpost hebben gezeten, die alle waarnemingen doorgaf aan zijn collega's in het Mitrailleursnest en in de stad Wageningen.

Plattegrond : Dorpsstraat/Achterdorpsstraat Renkum mei 1940. Achter de huizen van nummer l en 3 de groentetuin van waaruit kanonnen gevuurd hebben richting Grebbeberg. (Tekening G. van der Schouw).

De nacht van vrijdag op zaterdag 10 mei verliep zeer onrustig, steeds hoorden we Duitse militairen praten, dan dichtbij en dan weer veraf, maar toen het tegen 04.30 uur licht werd, zagen we wat er gaande was. Deze militairen liepen bij ons door de groentetuin en plaatsten via de Schoolweg (nu Don Boscoweg) zware kanonnen (zogenaamde 'dikke Bertha's') bij ons op het aardappelenveld, waarbij de plantjes finaal kapot gereden werden, vlak achter de huizen van de Le Maitreweg. Deze kanonnen hadden een reikwijdte van ± 10 km en ze konden dus met dit zware artillerievuur over Wageningen heen de stellingen onder aan de Grebbeberg bereiken, om zo de oprukkende SS-ers rugdekking te geven, aldus ook geschied is. Vooral toen om ± 07.30 uur het eerste schot afging, dachten we: "De huisjes storten in elkaar". Het was één grote stofwolk in huis en we stikten bijna van dat stof. Vlak daarop volgde weer een schot en even later weer één en nog weer één. Zo volgde de schoten zich achter elkaar op en na verloop van ± 10 minuten kwam er een Duitser binnenlopen en zei dat we maar weg moesten gaan omdat het te gevaarlijk werd voor de burgers.
Dus moesten we evacueren, maar waarheen? Richting Wageningen ging helemaal niet en het werd richting Heelsum; gelukkig kwam Piet Koenders (metselaar) van de
Achterdorpsstraat met z'n vrouw en kinderen Theo, Jan en Bep met een kruiwagen met proviand, zich bij ons aansluiten. Wij, d.w.z. Grootvader Gradus en tante Co van der Schouw; Gerard, Fien en Dolf van der Schouw; tante Marie Wennekes - van der Schouw met haar kinderen Arie, Annie en Cobie (in de reiswieg die door Fien en Gerard van der Schouw, resp. 10 en 11 jaar oud, werd gedragen), met ons fietskarretje met bagage erop ging het dus maar richting Heelsum. Wij liepen tegen de Duitse colonnes in, die hun voertuigen met jonge afgerukte takken van de bomen hadden gecamoufleerd.
Ik herinner mij deze tocht nog als de dag van gisteren, dat we vertrokken via de Dorpsstraat - Utrechtseweg - Coöperatie - Bergzicht Heelsum tot aan de S-bocht. Daar moesten we van de Utrechtseweg af want er kwamen zoveel evacués op de weg dat dit voor de Duitsers te veel oponthoud gaf.

Maar 'de heren' moesten een noodbrug leggen over de Heelsumse beek, die een dag eerder opgeblazen was en wij werden via hotel 'Klein Zwitserland' de Doorwerthse helde opgestuurd. Maar we bleven niet zo lang op die heide en zochten zo gauw mogelijk de bosrand op. Daar aangekomen was het inmiddels 12.00 uur geworden toen Piet Koenders zei: "Nu stoppen we even en eten eerst wat", waarop hij een brood en een groot mes pakte en het brood in sneden verdeelde terwijl de vrouwen voor het beleg zorgden.
Na deze stop zei mijn grootvader tegen Piet Koenders: "Ergens ben ik blij dat (groot)-moeder dit niet meer mee behoeft te maken, de ellende met zo'n ziek persoon was niet te overzien geweest". Het was namelijk pas 7 weken geleden dat ze begraven was. Mijn grootvader kon toen niet bevroeden dat het hem bij de 2e evacuatie in 1944 zelf overkwam en in November op het evacuatieadres zou overlijden.
Deze woorden blijven je altijd bij, maar na de stop trokken we verder met de kruiwagen, fietskar en reiswieg, over het bospad richting Wolfheze. Tot op een gegeven moment het bospad op de Wolfhezerweg uitkwam, ongeveer t.o. de Bilderberglaan. Vandaar uit hadden we gelukkig weer een verharde weg en ging het rechtsaf, weer richting Utrechtseweg want voor de nacht moesten we toch een
rustplaats zien te zoeken.
Wij liepen dus op de Wolfhezerweg en naderden het huis nr. 16, waar de kunstschilder Anton Markus woonde. Deze beste man kwam zijn huis uit en vroeg ons (Piet Koenders was onze woordvoerder) of wij al onderdak bij 'deze of gene' hadden, waarop Piet hoofdschuddend "nee" zei. Toen vroeg Markus met hoeveel personen we waren, waarop Piet antwoordde: "Met z'n veertienen". Markus zei toen: "Kom maar mee, ik heb net voldoende slaapplaatsen, meer kan ik niet herbergen". Hij troonde ons mee naar een grote villa, iets verder van zijn huis en wei op Wolfhezerweg nr.10, alwaar de matrassen voor ons klaar lagen. Hierop konden wij heerlijk tot rust komen, dankzij schilder Markus.

Hier hebben wij de Pinksterdagen van 12 en 13 mei doorgebracht en zijn daar gebleven, tot de capitulatie van het Nederlandse leger was getekend en wij op dinsdag 14 mei weer naar 'Schouwburcht' en villa 'LON" konden terugkeren.
Toen we aankwamen stonden de huisjes er nog, geweldig onder het stof en we konden meteen weer aan de slag om de rommel op te ruimen. De diepe kanonnen sporen in het aardappelveld hebben we laten zitten totdat in het najaar de aardappelen werden gerooid. Wei hebben we nog in angst gezeten over het lot van mijn vader. Oom Lamert Wennekes was n.l. vrijdag 17 mei weer thuis, maar m'n vader bleef weg en er werd al doorgegeven dat hij vermist werd. Gelukkig bleek het een misverstand, maar hij kwam pas op woensdag 22 mei boven water. Hij bleek dus met zijn onderdeel uit de Peel helemaal te zijn teruggetrokken via Brabant naar Vlaanderen in België. Daar werd hij krijgsgevangen gemaakt in St. Niklaas, ± 20 km ten westen van Antwerpen. Daar heeft hij een dag en een nacht op een voetbalveld gezeten. Later moesten ze zich van hun kleren ontdoen, kregen een overal en werden vrijgelaten. Zo heeft hij lopende en liftende de terugreis ondernomen. Bij een boer kreeg hij een jasje en kwam dus op 22 mei weer thuis.

donderdag 15 maart 2001

Schouwburcht gedicht door Fien van der Schouw

Dit gedicht werd eerder gepubliceerd in "Echo's van zes dorpen", uitg. maart 2001, pp. 3-4

VOORLOPIG ZIJN DE ILLUSTRATIES NOG VAN BEPERKTE KWALITEIT:

In zijn boek "Groen was mijn dorp" geeft Wes Beekhuizen op blz. 37 een beschrijving van "Villa Lon". Beekhuizen beschrijft dit als volgt:
"Hoog op de naar de Dorpsstraat nijgende helling van de Achterdorpsstraat stond de slagerij van Hendrik van Kranen.
Daarnaast was een doodlopend steegje en aan het eind daarvan, in een tamelijk bouwvallig stulpje, woonde de oude
Nol, die zijn onderkomen villa Lon gedoopt had."
Het was in 1931 dat op deze plaats onze donateur Gerard van
der Schouw, met zijn zusje Fien, bij hun grootouders kwamen
wonen. Dhr. van der Schouw, nu wonende in Wageningen,
heeft een uitvoerig verslag gemaakt over de periode dat ze
daar woonden. Dit was de periode juli 1931 t/m oktober 1944.
In één van de komende nummers van Echo's van zes dorpen
zullen wij dit verslag opnemen.
Als voorproefje vindt u in dit nummer reeds een gedicht,
waarin zijn zus, mw. A.G. Derksen-van der Schouw uit
Oosterbeek haar herinneringen uit genoemde periode
weergeeft.

Foto: September 1931 - Gerard en Fien van der Schouw.
Renkum - Achterdorpsstraat 3

"Schouw-burcht"

Wat ik mij kan herinneren, van mijn allervroegste jeugd
Van jaren zonder zorgen, vol levenslust en vreugd
Dat was toen ik kwam wonen, Achterdorpsstraat 3
Bij grootouders, ooms en tantes, zelfs twee, mijn broer was drie (*)
Waar wij eens mochten leven, heel tevreden en heel fijn
Dat was in Renkums dreven, een dorpje aan de Rijn
Het waren oude huizen, heel gezellig en heel knus
Mijn opa noemde het "Schouw-Burcht", wij deden het aldus
We hadden een fijne speeltuin, twee schommels en een rek
om heerlijk aan te gymmen, soms was het ook kloprek
(pag 3)

En zelfs mijn oude opa, van vijfenzeventig jaar
Die kreeg het optrekkunstje, nog prima voor elkaar
Er was een grote zandbak, een oude slagersput
Die bood ons menig speeluur, veilig en goed beschut
Ook hadden wij een speelhuis, het oude kippenhok
Waar we menig koekje bakte, we hadden een goede kok
Dan waren er de tuinen, vol groenten en vol fruit
Bomen in vele soorten, appels, peren, bessenstruik
Speelgoed dat was er plenty, ruimte in overvloed
Goed eten, goede zorgen, wij leefden welgemoed
Grootouders en een tante, hebben veel voor ons gedaan
Te leren hoe te leven, met mensen om te gaan
Toen kwam een wrede oorlog, en maakte alles stuk
Wij verloren het liefste plekje en weg was ons geluk
Het is alles lang geleden en nu ik het op ging schrijven
Doet het nog altijd pijn, dat dit niet zo mocht blijven
Dag heerlijk stukje grond, dat plekje uit mijn jeugd
Ik blijf je altijd dankbaar, voor de geschonken vreugd.

Oosterbeek, mei 1955
Adolfina Gerarda van der Schouw, geb. 8-9-1929.

(*) Dit was de leeftijd van Gerard van der Schouw.
(pag 4)

De Schouwburcht

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in "Echo's van zes dorpen", uitg. maart 2001, pp. 5-13

VOORLOPIG ZIJN DE ILLUSTRATIES NOG BEPERKT VAN KWALITEIT

De Schouwburcht.

Inleiding van de Echo-redactie

In zijn boek "Groen was mijn dorp" geeft Wes Beekhuizen op blz. 37 een beschrijving van "Villa Lon". Beekhuizen beschrijft dit als volgt:
“Hoog op de naar de Dorpsstraat nijgende helling van de Achterdorpsstraat stond de slagerij van Hendrik van Kranen. Daarnaast -was een doodlopend steegje en aan het eind
daarvan, in een tamelijk bouwvallig stulpje, woonde de oude Nol die zijn onderkomen villa Lon gedoopt had.”
Het was in 1931 dat op deze plaats onze donateur Gerard van der Schouw, met zijn zusje Fien, bij hun grootouders kwamen wonen. Dhr. van der Schouw, nu wonende in Wageningen heeft een uitvoerig verslag gemaakt over de periode dat ze daar woonden, Dit was de periode juli 1931 t/m oktober 1944, en daar op aansluitend zijn ervaringen in de evacuatie periode 44/45. In Echo's van zes dorpen namen wij reeds een gedicht op van de hand van zijn zuster Fien over haar jeugdherinneringen aan dit plekje aan de Achterdorpsstraat.
Voor de nieuwe lezers van ons blad meende de redactie er goed aan te doen ook dit gedicht van zijn zus, mw. A.G. Derksen-van der Schouw uit Oosterbeek in dit nummer nogmaals weer te geven.

Renkum; de Pub’s op de Hucht.
Beschrijving van de "Pubs" ofte wel de kleine huisjes op 't heuveltje, de "Hucht", van de Achterdorpsstraat nummer l en 3 in de periode van ca. 1900 t/m 1945.

Aansluitend op mijn verhaal in Echo's van zes dorpen van september 98 (jrg. 2 pagina 14) waarin ik beschreef dat mijn grootvader Gradus van der Schouw, als zelfstandig vrachtschipper zijn brood verdiende met het vervoer van baksteen en zand tussen Renkum en Wageningen. De werkdagen in die tijd waren van maandag t/m zaterdag, wel 55 a 60 uur per week en er was dan ook weinig gelegenheid tot uitgaan.
Toch zocht men bij tijd en wijle elkaar op in het centrum van Renkum of de buurgemeente Wageningen. De Renkumers waren vaak in Wageningen en de Wageningers kwamen ook in Renkum regelmatig over de vloer. Zodoende kwam Gradus dus regelmatig in Wageningen en leerde hij daar Johanna Sanders (grootmoeder) kennen die voor dag en nacht werkzaam was in Hotel "Wentholt" op de Hoogstraat Dit hotel werd later de bejaardensoos het "Hoekje" en daarna café-restaurant de "Bergpoort" van Frits Onderstal.
Gradus kreeg van Johanna wel wat "extra" aandacht en na korte tijd werd besloten om samen verder te gaan, wat weer tot gevolg had dat op 31 juli 1903 in het gemeentehuis van Renkum te Oosterbeek het huwelijk tussen die twee geliefden werd gesloten.

Foto: 1928. Dorpsstraat / hoek Achterdorpsstraat. Links het postkantoor, rechts slagerij van Kranen. Rechts op de voorgrond is nog net het hek van pension "Frisia" zichtbaar.

Op het huchtje van de Achterdorpsstraat stond de slagerij van H. van Kranen en naast die slagerij was een doodlopend steegje. Aan het einde van dit steegje stond een tamelijk bouwvallig stulpje "Villa Lon" genaamd naar de bewoner en met het adres Achterdorpsstraat no, 1. (Zie bladz. 37 - 38 van het boek "Groen was mijn dorp" van Wes Beekhuizen. Maar naast dat stulpje was nog een "pub" (klein huisje). Dit was het pand Achterdorpsstraat no. 3. Hierin woonde een vrijgezelle slagersknecht. Deze kleine huisjes waren het eigendom van slager van Kranen. In overleg met van Kranen ging de slagersknecht boven de winkel wonen en kwam het pandje no. 3 vrij voor Gradus en Johanna, die daar in 1903 gingen wonen.

Gradus verdiende dus de kost met z'n vrachtschip "Eben Haezer" en Johanna zwaaide de scepter over het huishouden. In de loop der jaren werden hier zeven kinderen geboren, t. w. Johan (Jo) - Theo (Doris) - Marie - Jacob - Jacoba (Co) -Willem (Wim) en Petronella (Nellie). Als Gradus klaar was met zijn werk en naar huis ging, zei hij altijd: "Zo ik ga weer naar m'n "Burcht", wat later door zijn schippersvrienden werd omgedoopt tot: Gradus gaat weer naar zijn "Schouwburcht" en zodoende heeft het huisje Achterdorpsstraat 3 deze naam behouden.

Ondergetekende heeft vele uurtjes met zijn lievelings-opa Gradus gesproken. Hij was mijn toeverlaat en vertelde mij ook veel over z'n schippersleven. Doordat ik mijn jeugd bij mijn grootouders, n.l. van september 1931 t/m september 1944 heb doorgebracht, ging ik vaak met opa Gradus op stap. Zo vroeg ik hem ook eens hoe die steenfabrieken aan hun naam kwamen en hij wist mij haarfijn te vertellen dat deze namen waren ontleend aan de omgeving vanwaar de klei werd gewonnen uit de uiterwaarden langs de rivieren, waarvan hier enkele voorbeelden: Muggewaard, alwaar het boven het water zwermde van de muggen; Havikkerwaard waar veel havikken nestelden; de Jufferswaard, naar de vele Libellen die boven het moeras zwermden en de Kleikamp waar zeer veel goede klei werd gewonnen voor de steenfabricage. Dit als zijsprongetje, maar wat ik toch wel belangrijk vindt om dit door te geven.
Maar terug naar mijn verhaal van de "Pubs op de Hucht". Ik kan de huisjes no. l en 3 nog goed omschrijven en doe dit aan de hand van een tweetal plattegronden van respectievelijk de begane grond en de zolder. Dit aan de hand van een legenda, gesitueerd omstreeks de jaren 1939-40.

Toch wil ik bij enkele nr.'s nog wat toevoegen zoals bijv. de no. 28 t/m 30 op de begane grond. In de bedsteden (no. 29) lagen goed gevulde strozakken die van tijd tot werden gelucht of weer van nieuw stro werden voorzien. Bij no. 30 liep de kelder via een schuin kelderluik (no 14 b.g.) en een stenen trap geheel onder de bedsteden door naar de voorgevel van het huis (zie schets A). De waterleiding liep ook door deze kelder en deze werd in 1934 aangesloten. Zoals gebruikelijk in die dagen nog door middel van een loden buis. Voordien haalden we water met emmers bij het slachthuis.
Ook de zolderverdieping werd benut, want het was namelijk zo dat de woning met enkel zijn twee bedsteden, één voor de ouders en één voor vele kinderen, te klein werd. Gradus had nog een schipperstrap (no. 19 b.g.) en die werd in de bijkeuken langs het kelderluik (no. 17 b.g) tegen de schoorsteen (no. 6 b.g.) geplaatst Via de opstapplank(no. 18 b.g.) van het kelderluik kon men de trap op (no. 19) en kwam men via opstapplank (no. 8 z.v) op de zolder. Daar werd een slaapkamer (no. 3 z.v) voor de meisjes gemaakt van linnen op hout gespannen, en voor de jongens kwam er een slaapkamer (no. 5 z.v.) afgeschermd met zware gordijnstof. Onder de holle dakpannen was het in de winter wel erg koud, maar ook daar was een oplossing voor gevonden, door onder de holle dakpannen z.g. strodokken te plaatsen, (zie schets B). Ook werd voor de tocht vanuit de bijkeuken, via de trap naar zolder een afsluitluik geplaatst (no 9 z.v.) Nu was dat luik nogal zwaar, maar Gradus had ook hiervoor wel een oplossing: een schipperslijn (koord) bevestigd aan het luik en dat via een katrol (no. 10 z.v) van 't schip waarover ‘t koord liep, werd die katrol aan het dak bevestigd met aan de andere kant van het koord een tegengewicht, zodat het luik zo licht als een veertje open en dicht kon (Zie bladzijde 10 - 11).

Van beide huisjes waren de gevels gesausd, Villa Lon in het wit, en Schouwburcht in het geel. De onderkant was over 60 cm. zwart geteerd, tegen het indringen van het vocht.

v.l.n.r. = Lida van Beek, Cor van Beek, Mw. van Beek (van de slager) en Gerard van de Schouw.
Foto is gemaakt op de hoek van de slagerswinkel van v. Beek en de steeg naar de Achterdorpsstraat l en 3. Rechts Pension "Frisia" (1934)

Zoals ik de voorgaande situatie schetste van no. 3, zo wil ik dit ook beknopt doen van no. l, ofwel "Villa Lon" van de zo ludieke "oude Nol". Toen oude Nol als bewoner verdween, nam Mina Barten haar intrek in de woning, trouwde met Kees Verwoerd maar verhuisde in 1934 naar elders in het dorp. (Zie "Groen was mijn dorp" blz. 37-38).
Mina Barten was altijd heel voorzichtig als zij op straat liep en het was dan ook heel triest dat zij in 1938 op het smalle stoepje van de Dorpsstraat bij de Veerweg, bij Jan van Dee voor de winkeldeur werd doodgereden.
Van 1934 tot 1939 woonde Willem Bos met zijn vrouw Trui en de twee dochters Teuntje (de oudste) en Maartje in de woning. Zij verhuisden toen naar de Hartenseweg.
Vanaf 1939 tot 1945 waren mijn vader Johan van der Schouw met zijn kinderen Gerard, Fien en Dolf, de laatste bewoners. Zie hiervoor de plattegronden.
Het was een intiem hoekje van het dorp om te wonen. Je was overal vlakbij, zoals het Postkantoor, Politiebureau, de gemeentesecretarie, de brandweer en de twee dronkemanscellen van het politiebureau. Maar ook dichtbij de Rijn, waar bij de steenoven van Pilo, "de Jufferswaard" altijd schippers lagen die vaak in de avond op het dek accordeon speelden.
En dan niet te vergeten, 's winters konden we op de uiterwaarden schaatsen en in de zomer konden we naar het Rijnzwembad voor een frisse duik. Ook een tochtje met het Renkumse pontveer om in de Betuwe kersen te halen, was zeker niet te versmaden. Helaas werd die intimiteit wreed verstoord op 17 september 1944, door de luchtlandingen.

Luchtlanding en bevrijding. Renkum, 1944/45

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in "Echo's van zes dorpen", uitg. maart 2001, pp. 14-27
VOORLOPIG ZIJN DE ILLUSTRATIES NOG BEPERKT VAN KWALITEITVan de persoonlijke ervaringen die we in die periode ondervonden en die nu, na ruim 55 jaar weer in mijn gedachten opkomen, wil ik hiervan enkele aantekeningen nader op papier zetten.
Zoals eerder beschreven, landen op die zonnige zondag van 17 september 1944 om 13.00 uur de para's op de Renkumse heide. Het was een indrukwekkend gezicht de parachutes in al die verschillende kleuren te zien dalen. En al vlug klommen wij op het dak van de schuur om maar niets te missen van dat overweldigende schouwspel. De gehele middag vlogen de vliegtuigen af en aan. Het was tegen zes uur, toen de eerste jeeps met paraverkenners via de Utrechtseweg langs het zuster-klooster, de Wilhelminalinde en de R.K, kerk de Dorpsstraat binnenkwamen. Bij het Postkantoor stopten ze even, vroegen naar de weg en informeerden of er ook Duitsers in de buurt waren. Met handen en voeten maakten wij hun duidelijk dat er op dit moment geen Duitser in de buurt was. Hierop
werden wij getrakteerd op chocolade en "Player"-sigaretten, waarna zij weer in de jeep stapten en verder de Dorpsstraat introkken tot aan Hotel Campman op de Bokkedijk.
Gelijktijdig hesen de jongens van van den Born de vlag op de toren van de Hervormde kerk. Na enige tijd keerden de para's terug van hun verkenningstocht en trokken zich terug op de steenfabriek van "Pilo" in de Jufferswaard De nacht van zondag op maandag verliep vrij rustig, alhoewel men af en toe wel voetstappen hoorden, want na de gebeurtenissen van de afgelopen dag was men toch wel gespannen, en overal op bedacht, gaan slapen.


Maandag, de 18e september was het koud, mistig en miezerig weer en deze dag zou zeker niet zo rustig verlopen als we misschien wel dachten. Door de "verduisteringswet" hadden wij speciale voorzetluiken aan de achterzijde van het huis gemaakt, zodat er geen licht naar buiten zou schijnen. Maar bij het begin van de dag ging mijn vader (J. v. d. Schouw) naar buiten om de verduisteringsluiken weg te halen. Op het moment dat hij een luik tegen de muur zette, hoorde hij een fluitend geluid en vluchtte naar binnen. Hij gooide de deur achter zich dicht en ging strak tegen de muur staan, gelijktijdig ontplofte een granaat tegen het kloprek dat aan het huis was bevestigd. Later telden we een 17 gaten van scherven welke door de deur waren gevlogen.Eén scherf was door de buste van Fien van de Schouw gevlogen en een andere had de asbak van Opa v.d. Schouw geraakt.Dit was de eerste granaat achter ons huis aan de Achterdorpsstraat en nadat we van de eerste schrik waren bekomen zei m'n vader: "Dit is foute boel" en ging overleg plegen met slager van Beek, waarvan het hele gezin ook geweldig was geschrokken. Na enig overleg werd de spekkelder van de slagerij ingericht als Schuilplaats, met de gedachte van: "Het zal toch maar voor even zijn".Ook de heer de Boer, die met vrouw en twee kinderen i.v. m. werkzaamheden tijdelijk in Renkum woonde in het huisje Achterdorpsstraat l, vroeg aan slager van Beek om toestemming om bij een eventueel noodgeval in de kelder te mogen schuilen. Zo gezegd, zo gedaan, indien nodig konden we gebruik maken van de spekkelder. Maar het duurde niet lang, of de granaten vlogen ons links en rechts om de oren, zodat vader zij: "En nu de kelder in", en snel. We waren amper in de kelder of daar stonden de families Jacobs (de kruidenier) en Kaal (manufacturen) uit de Dorpsstraat (zuidzijde) met angstige ogen bij de kelderdeur met de vraag of het mogelijk was dat ook zij in de kelder konden schuilen, want in hun achtertuinen ontploften achter elkaar de granaten. "Vooruit maar" zei slager van Beek: "Het is toch maar voor even", maar inmiddels zaten we met 23 personen in de spek-kelder.Opdat zelfde moment, d.w.z. maandag 18 september, was iets verder op, ook aan de zuidzijde van de Dorpsstraat, (no. 32) mw. Staring in grote moeilijkheden, want ieder moment kon daar een baby worden geboren.Dhr. Staring had een oproep gedaan aan de zusters van het Witgele kruis voor hulp, maar deze zusters woonden in een villa op de hoek van de Utrechtseweg en de Lindelaan en geen van de zusters was bereid om de fam. Staring te helpen, daar dit gedeelte van de Lindelaan naar de Dorpsstraat precies in het schootsveld lag van de Steenoven van Ariëns in de Jufferswaard, deze was bezet door de Engelse Para's. Maar uiteindelijk was er een zuster bereid om de gevaarlijke tocht naar de Dorpsstraat te ondernemen. Mevrouw Staring bracht een dochter ter wereld, die naar deze zuster werd vernoemd, en wel met de mooie naam "Irma".Dezelfde avond om ca. 23.15 uur schampte een granaat, afgeschoten vanuit de "Juffersweerd", door de steeg via huize "Frisia" en langs het slachthuis van de Fam. van Beek dwars door de voorkamer, en sloeg in in de woonkamer van Achterdorpsstraat 3 terecht, waardoor de gehele binnenmuur werd ontzet. Het was een zeer onrustige nacht van maandag 18 op dinsdag 19 september, de granaten vlogen rond en vielen overal neer.We deden geen oog dicht en zaten op meegenomen kussens op de rand van de spek-bakken de afloop af te wachten. In de loop van de ochtend werd het wat rustiger en gingen de mannen voorzichtig een kijkje nemen wat er in de afgelopen nacht aan schade was aangericht.Nu we hadden het al gauw gezien, onze "Schouwburgt" was behoorlijk beschadigd en het zou wel enige tijd vergen om deze schade te herstellen. Regelmatig werden er nog steeds granaten afgeschoten en moesten we weer in de kelder schuilen. Op bepaalde momenten als het wat rustig was met het schieten gingen we even naar buiten om een frisse neus te halen. Maar ook om mensen te ontmoeten en de toestand van het moment te bespreken. Het bleek wel, dat ons huis niet het enigste was dat beschadigd was. Van het huis op de hoek Utrechtseweg en Schoolweg, naast de Wilhelmina linde was de gehele voorgevel beschadigd. Hier woonde van Harten. De gevel werd door dhr. Emmen en zijn zoon Theo voor nood provisorisch gedicht. Tijdens deze werkzaamheden werden ze getroffen door een granaat en beiden waren op slag dood. Daar ons huis onmogelijk direct hersteld kon worden, en zeker niet tijdens deze oorlogshandelingen, werd in overleg met slager van Beek afgesproken dat wij zolang een noodvoorziening mochten maken in de spekkelder.Maar wij zaten op dat moment al met 23 personen in deze kelder. Toen besloot kruidenier Jacobs (Jantje) met zijn vrouw en twee dochters verder op een schuilplaats te gaan zoeken. Maar dat niet in zijn eigen pand aan de zuidzijde van de Dorpsstraat, want daar was het levensgevaarlijk gezien de ligging in het schootsveld. Wij bleven achter met toch nog 19 personen, t.w. de fam. D. van Beek (5 personen), Fam. H. Kaal (3 personen), Fam. de Boer (4 personen) en de fam. v.d. Schouw (7 personen). De heren de Boer en vader van der Schouw maakten in de spekkelder van v.Beek een houten stellage boven de spekbakken voor slaapplaatsen voor de volwassenen, terwijl de kinderen op stromatrassen in de spekbakken konden slapen. Opa v.d.Schouw (78 jaar) sliep apart in een badkuip. In de loopgang konden dan nog net een paar stoelen en een tafel staan. Zo woonden wij daar met z'n allen in de spekkelder tot aan de evacuatie op l oktober 1944. (zie ook tekening no. 1).Zoals ik al eerder schreef, waagde men zich af en toe op straat om op de hoogte te blijven van de gevechten en om etenswaren te bemachtigen zoals melk, brood en vlees.Het vlees werd door noodslachtingen bij slager van Beek rondgedeeld, totdat een Nederlandse SS-er er achterkwam. Deze SS-er kwam mw. Bielen uit de Achterdorpsstraat tegen en zag dat zij vlees bij zich had. Hij dwong haar het vlees af te geven, zette haar tegen de muur aan de achterzijde van het Postkantoor, ze moest vertellen waar zij dat vlees vandaan had gehaald. Daarop kwam die SS-er het slachthuis binnen, waar ik net de vloer aan het schoonmaken was en vroeg aan mij "is hier nog meer vlees aanwezig" waarop ik ontkennend de schouders ophaalde. Daarop vertrok hij weer.Tijdens zo'n rustperiode zagen we een gesneuvelde Engelse militair op de kleibult nabij de Melkdam liggen en ook een platte wagen met slachtoffers die naar de Rode Kruispost op het sanatorium "Oranje Nassau's Oord" werden gebracht. Ik hoop dit nooit meer mee te maken.Op l oktober kregen we het bericht dat het te gevaarlijk werd voor de burgers en dat we moesten gaan evacueren. We lieten onze konijnen los, tassen met kleding en proviand werden op de fietsen gepakt en opa kwam op een kussen in het fietskarretje te zitten. Er werd nog vlug wat eten naar binnen gewerkt en omstreeks 11 uur in de morgen vertrokken we onder granaatvuur vanaf de Achterdorpsstraat, via de Le Maitresteeg - Groeneweg - Kerkstraat - Waterweg en Hartenseweg richting Bennekom.Maar de Duitsers hadden Hotel “Nol in ’t Bosch” al gevorderd en daar mochten we niet langs. Daarom gingen we op Harten rechtsaf via een bospad ("Laan van Veldman") naar de Bennekomseweg, richting Bennekom. In Bennekom aangekomen hoorden we nog wel in de verte het granaatvuur, maar we dachten dat we ver genoeg waren om hier een onderdak te zoeken. Helaas, dat ging niet door want ook Bennekom werd geëvacueerd.
Situatieschets omgeving "Schouwburcht"/"Villa Lon"
(P.k = Postkantoor, R.K.k. = Katholieke kerk.

Dus ging het weer verder, via de Kierkamperweg – Hogeweg (nu Mansholtlaan) de Lage steeg - Harnse steeg - Maanderdijk - en de Kade naar de (nu) Oude Rijksweg, richting de Klomp. Ook daar was al geen onderdak meer te krijgen, maar de middag vorderde al en daarom moesten we het maar verder proberen om voor de avond een onderdak te vinden.Ongeveer een kilometer voorbij de "Klomp" werden we naar de kant van de weg gedirigeerd, daar op het N.S. Station Veenendaal / de Klomp een personentrein door Engelse jachtvliegtuigen werd beschoten. De trein zat vol met Duitse soldaten die naar het front werden gezonden.Na dit incident ging het via Renswoude naar Scherpenzeel, waar we om ongeveer 16.30 uur aankwamen bij het hotel "De Witte Holevoet". Hier kregen we wat te eten en drinken en ook een adres waar we de nacht konden doorbrengen. Dit was een met riet gedekte villa op de hoek van de Stationsweg /Voskuilseweg. Daar zijn we nog een dag extra gebleven, in verband met de gezondheid van Opa van de Schouw.Via het evacuatiebureau kregen we op dinsdag 3 oktober 1944 een definitief evacuatieadres toegewezen en wel aan de Rumelaarseweg 11 in Woudenberg. Dit was een boerderij, waar de ongetrouwde broer en zuster van Asselt woonden. Deze mensen hebben ons geweldig opgevangen en toen opa v. d Schouw aldaar op 19 november stierf waren ze voor ons een geweldige steun. Opa werd vanuit hun huis tijdelijk in Woudenberg begraven en is na de evacuatie in het najaar van 1945 herbegraven te Renkum bij zijn vrouw.Het was op dit adres, dat we eind oktober 1944 te horen kregen dat alle manlijke personen van 16 jaar en ouder zich in Amersfoort moesten melden voor de "Arbeidsinzet Duitsland. Nu was ik op dat moment 16 jaar en moest mij melden, maar met goedvinden van de fam. v. Asselt dook ik onder op de boerderij, waar ik ze altijd dankbaar voor ben gebleven.Mevrouw van Asselt kon geweldig lekker tarwebrood bakken in haar met hout gestookte fornuis. Toch werd ik nog een keer opgepakt en wel op een zondag in januari 1945. Ik was naar de kerk geweest toen ik vlak bij huis op de hoek van de oude Rijksweg en de Rumelaarseweg werd aangehouden door een patrouille Duitsers. Deze waren kennelijk op pad gestuurd om mannen te zoeken voor de "Arbeidsinzet". Een van hen vroeg hoe oud ik was, (en toen heb ik echt gelogen) waarop ik hem antwoorde; " ik ben veertien jaar". Daarna vroeg hij mij: "ausweis" waarop ik antwoordde: "heb ik nog niet, ausweis krijg je als je vijftien bent", maar toch moest ik bij een stel jongens gaan staan die al gepakt waren.Na een half uur waren er nog twee jongens en een man bijgekomen en vonden ze het kennelijk wel genoeg waarop die zelfde Duitser nogmaals aan mij vroeg hoe oud ik was, waarop ik steevast antwoorde dat ik veertien jaar was. Hierop zei hij: "erraus" (er uit) en kon ik vertrekken. De anderen moesten mee richting Amersfoort. Maar wat had ik in angst gezeten en met trillende knieën ging ik dan ook weer naar de boerderij.Dat ik nog al klein van stuk was, licht van gewicht en nog een korte broek droeg, is waarschijnlijk mijn geluk geweest. Sinds die tijd ben ik niet meer naar de kerk gegaan en liet mij verder ook niet meer op straat zien.Op 5 mei 1945 werd dan de capitulatie in Wageningen getekend, maar doordat de Nederlandse SS in Veenendaal nog steeds niet van overgave wilde weten, was het pas de 2ezondag in mei dat er in Scherpenzeel, naast de R.K. kerk in het centrum voor het eerst weer een kerkdienst werd gehouden. Wij dus lopend op weg naar Scherpenzeel, maar wel met de gedachte van; " Zijn we nu toch wel echt vrij".Want ja, die SS-ers hadden toch wel voor heel veel onrust gezorgd. Tijdens de kerkdienst hoorde ik in de verte muziek, maar geen kerkmuziek, dit was anders en werd steeds luider. Op een gegeven moment waren mijn gedachten niet meer bij de dienst. Ik verliet dan ook de kerk en ging kijken waar die muziek vandaan kwam.Wat ik toen zag, zal ik mijn hele leven niet meer vergeten! Om de hoek van de kerk kwam het muziekcorps van de Schotse Highlanders met hun doedelzakken en kilts voorbij marcheren. Wat een muziek, wat een bevrijding, nu was het echt waar, we waren vrij!Na maanden van onderduiken en de angst om gepakt te worden voelde ik me bevrijd, ging op het muurtje rond de kerk zitten en kon het nog niet goed geloven dat het echt waar was. Opgelucht gingen we naar de boerderij, waar we de boer en boerin vertelden wat we beleefd hadden. De boerin maakte op haar beurt voor ons een extra maaltijd wat het geheel een feestelijk tintje gaf.We zijn op de boerderij gebleven tot 20 juli 1945. Dit om reden dat de “Schouwburcht”in Renkum zo onherstelbaar was beschadigd, dat wij moesten wachten tot de gemeente Renkum ons een andere woning kon aanbieden. Wel zijn we op de fiets tussen half mei en half juli nog wel een paar keer naar Renkum geweest, om materiaal, wat nog goed was, op te slaan. Bij zo'n zoektocht vond ik achter het huis in de bloementuin een granaathuls. Deze huls heb ik meegenomen en met een klein stalen beiteltje (ander gereedschap had ik op dat moment nog niet) open gehakt en bij een smid in de buurt in een wals vlak gemaakt. Op deze plaat heb ik een plaquette gemaakt als herinnering aan de historische luchtlanding in september 1944.
Plaquette ter herinnering aan de luchtlandingen
september 1944.
(Gemaakt door de schrijver)

Zodra wij geëvacueerd waren, zijn de huizen aan de zuidzijde van de Dorpsstraat, te weten de nummers 2 t/m 24 door de Duitsers plat geschoten, zo dat men een beter schootsveld had op de steenoven van Pilo, (ook wel "van Ariëns") genoemd, in de "Jufferswaard".Op bijgaande schets (bladzijde 19) heb ik de indeling van dat rijtje winkels / woonhuizen aangegeven, met onder voorbehoud, de namen van de bewoners.Hoe het met deze bewoners tijdens de gevechten en de evacuatie is gegaan is mij niet bekend. Maar misschien komen er nog wel reactie's op dit artikel. Zelf woon ik al jaren in Wageningen, waar in het, toen gehavende, hotel "De Wereld" op 5 mei 1945 de capitulatie van het Duitse leger werd getekend, en we onze vrijheid terug kregen.Naschrift van de schrijver.Verschillende schilders werden in het verleden al geïnspireerd door de mooie omgeving van de Zuid-Veluwezoom en legden deze vast op het linnen doek, zodat wij er nu nog van kunnen genieten.Wes Beekhuizen gaf in 1973 reeds het voorbeeld door zijn herinneringen van het dorp Renkum in zijn mooie boek "Groen was mijn dorp" voor het nageslacht vast te leggen.Nu, ongeveer 25 jaar later werd in Renkum het Genealogisch en Historisch Genootschap "Redichem" opgericht. Dit genootschap geeft nu ook het kwartaalblad "Echo’s van zes dorpen" uit.
Schilderij van "Villa Lon" en "Schouwburcht",
weergegeven door Dhr. A. Davelaar, Ede.
Dit naar gegevens van de schrijver.
We mogen best trots zijn, dat we nu zo'n vereniging hebben en ik wil bij deze dan ook aan de leden en donateurs vragen: "Schrijf ook eens een verhaal over b.v. de jeugd in uw eigen straat of omgeving, in de periode 1930 -1950. (toch meer dan vijftig jaar geleden) en lever het voor plaatsing in bij onderstaand contactadres. Dan blijft ook uw verhaal zijn waarde behouden voor het nageslacht.