maandag 15 maart 2010

IJstijden aan de Veluwezoom

Twee honderdduizend jaar geleden begon de op één na laatste ijstijd, genoemd het Saaliën tijdperk. Vanuit het Nooroosten drong toen een meer dan + 200 meter dikke ijslaag ons land binnen en schoof met een verwoestend geweld binnendringende ijslobben voor zich uit, die oprukten door de rivierdalen van de Rijn en de Maas. Deze rivieren stroomden oorspronkelijk naar zee in Noordelijke richting, maar door de oprukkende ijslobben zagen ze zich geblokkeerd, waardoor zij toen met hun water afbogen in Westelijke richting om hun water toch te kunnen lozen!
De bevroren dalwanden van de rivieren werden door de schollen omhoog gedrukt waardoor de meeste heuvelrijen op de Veluwe “stuwwallen” worden genoemd met hoogten van + 110 m. bij Deelen en de Postbank. Maar ook in Arnhem met hoogte 80 m. en de zuidelijke Veluwezoom met o.a. de Duno, Noordberg en Wageningse berg zijn toch ook met + 40 m. flinke stuwwallen. De Grebbeberg (en 65 m.) hoort bij de Utrechtse Heuvelrug. De langste stuwwal van de Veluwe is die vanuit Arnhem tot Hattem. Maar na enkele tienduizenden jaren brak er een warmere periode aan waardoor het ijs smolt en steen en leem achterbleven. Door dat vele smeltwater vormde achter de voornoemde langste stuwwal weer een rivierbedding op de “oude” bedding van de Rijn en aangezien de Rijn toen noodgedwongen zijn water in Westelijke richting afvoerde, ontstond nabij Westervoort de splitsing tussen de Rijn en het “smeltwater”. Dat heet  nu, met het “Rijnwater” vanaf de splitsing, de IJssel. Deze voert nu, samen met het water van de Oude IJssel vanaf Doesburg, het water af in Noordelijke richting, naar het IJsselmeer (vóór 1932 “Zuiderzee”).
Het regenwater zakte tussen de stuwwallen in de grond, maar kan door de van nature al eerder gevormde klei- en leemlagen maar tot zekere diepte doorzakken. Hierdoor wordt het water ondergronds via zo’n klei- of leemlaag dan afgevoerd. Is er een grote hoeveelheid regenwater in korte tijd, de deklaag van de grond dun en de waterdruk voldoende groot dan komt het water spontaan naar de oppervlakte. Zie daar: een bron! Is er veel water tussen de klei-of leemlaag verzameld, dan wordt de bovenste laag op een wat lager niveau afgegraven en dan heb je een spreng. Samengevat: heb je dus een “bronbeek” of een “sprengbeek”.
Aangezien de bewoners van de dorpen Renkum-Heelsum toendertijd de stuwwallen bewoonden, hebben zij die beken tussen deze stuwwallen goed weten te benutten vanwege hun helder water. Want dat leverde “schone was”, waardoor hier uiteindelijk ook de wasserijen opbloeiden. Met behulp van de watermolens ontstond hier later, vanaf 1855 ook de papierindustrie en andere “industrie” die met watermolens werd aangedreven, zoals oliemolens. Je kunt hier spreken van een vroege “industriële revolutie” op kleine schaal.
Niet te vergeten dat jaren later, d.w.z. in de jaren 1930-1950 de Keijenbergse beek (nabij de Bennkomseweg-Keijenbergseweg) op de warme zomerdagen een toeristische attractie vormde. Voor de gehele omgeving was dit “Klein Scheveningen”. Wel was er een Rijzwembad aanwezig, maar het merendeel van de bevolking had daar het geld niet voor en het voordeel was dat je ook heerlijk op de stuwwal in het zand kon “zonnebaden”. 
Gerard van de Schouw Jzn.

Bronnen:
De Veluwepost, “De Veluwe is door ijs gemaakt”
Parenco: “IJsprofielen, de grond waarop we wonen en werken”
A.Hummelen, “Papiergeschiedenis Renkum-Heelsum”, p. 5-7, p.10-13, p.40

dinsdag 28 april 2009

De Rijnvaart

Dit artikel is eerder verschenen in Echo's van zes dorpen", uitgave van het Genealogisch en Historisch Genootschap Redichem, Jrg. 13, voorjaar 2009-1, pp. 7-10.


Al in de oudheid was de Rijn een goed vervoermiddel. Of Batje Vier al voor de jaartelling de rivier afkwam weet ik niet zeker , want dan zouden de bataven niet zo blond geweest zijn. Dat de Romeien de Rijn afzakten weten we allemaal. Voor de Romeinen was de Rijn een belangrijke grens, die ze gemakkelijk konden bereizen en controleren met hun platbodems.
Later werd getracht met geïmproviseerde zeilen stroomopwaarts te varen afhankelijk van de wind en de stroming van de rivier, maar na +/- 1100 was men al zover dat men met schepen met vis uit Tiel, Utrecht en Deventer stroomopwaarts naar Koblenz kwam. Men moest dan wel met een deel van de zalm of aal de tol betalen.
Door de vraag vanuit Holland om houten palen ten behoeve van de bouw en vooral de scheepsbouw werd in de 17e eeuw vanuit het Zwarte Woud houten vlotten gebouwd en stroomafwaarts vervoerd.

Een zogenaamd "Hollandervlot" by Unkel am Rhein, 18e eeuw. Deze vlotten dankten hun naam aan de bestemming. De vlotten werden op de Middenrijn samengesteld uit stammen, die van de zijrivieren (vooral uit het Zwarte Woud) kwamen. Ze waren soms wel 300m lang en er woonden tijdelijk zo'n 500 man op om te roeien en te sturen. Voor de huisvesting werden er houten huisjes op het vlot gebouwd..Van veel vlotters ging het hele gezin mee.

Aan de voorkant en de achterkant werd het vlot bestuurd. Soms met wel 15 roeiriemen aan elke kant. Aan iedere riem zaten en stonden 7 tot 9 man. Stuurlieden stonden te schreeuwen en bij lastige stukken werden soms wel 90 ankers gebruikt. Voor dat alles uit voer een roeibootje met een zwart/rood geblokte vlag, als waarschuwing voor het naderende transport. In 1978 was in Duitsland een kunstactie ter afsluiting van de vlotvaart. Men bouwde een vlot met een hoge stellage, waarop een mummie werd gelegd. Men liet het vlot de Rijn afzakken. Via Arnhem, Renkum, Wageningen enz. naar de Noordzee.
Bij aankomst aan zee werd de mummie in brand gestoken. Ondergetekende heeft deze doorvaart aanschouwd. Tussen 1650 en 1750 passeerden via Arnhem-Renkum-Wageningen een groot
aantal van deze vlotten richting Dordrecht. De Hollandse zeevaart was ook hierdoor de grootste van de wereld. De binnenvaart is nu nog steeds veruit de grootste van Europa.
In onze omgeving was in dezelfde tijd ook de zalmvisserij tot grote bloei gekomen. De zalm werd deze via de rivier naar een groot aantal plaatsen vervoerd. Zo ontstonden er rond 1678 schippersbeurzen waar de beurtvaart kon worden geregeld.
Na 1820 werden de wegen verbeterd. Het openbaar vervoer breidde zich uit en in 1869 meldde de Wageningse Courant dat er een eerste dienstregeling kwam voor treinen en omnibussen. In datzelfde jaar meldde het scheepvaartkantoor dat in Arnhem en Keulen vanaf die tijd de waterhoogten op de borden langs
de rivier dagelijks zouden worden vermeld.
In 1876 werd melding gemaakt van stoomboot Arnhem I en II en de
stoomboot Wageningen. Dit waren radarstoomboten. Vanaf 10 oktober 1878 werden het schroefstoomboten met de namen Concordia, Stad Wageningen en de Batauwer, die in een later stadium een maatschappij vormden onder de naam Concordia. Deze Concordia-vloot groeide uit tot 12 schepen en bevoeren het Rijntraject vanuit Arnhem richting Amsterdam en Rotterdam.
De boten pendelden tussen Arnhem en Wageningen en hadden eigen steigers 
G. van der Schouw, Wageningen

Bronnen:
Steenbergen, Vereniging Oud Wageningen, nr 6-1994
F. Hellinga, Vereniging Oud wageningen, nr 6-1994
Veluwe Post, eeuwfeest het Renkumse Veer, april 1962
G. v. Dolderen, Langs de boorden van de Rijn.
Geert Maassen, De Zuidzoom WV.
Burgsteyn en Heyers, Sjouwen door Renkum

Aan het avondfeest op de Rijn op 19 augustus 1929 deed ook de "á giorno” verlichte boot van Huis ter Aa mee. Dat was het vaartuig, dat vanuit de haven bij de Hevea-rubberfabriek, onder aan de Dunolaan, vanaf de Westerbouwingeen met een dienstregeling op Arnhem voer. Het kreeg de naam van het ten westen van het fabriekscomplex staande hotel Huis ter Aa.

De Rijnoever

Dit artikel is eerder verschenen in Echo's van zes dorpen", uitgave van het Genealogisch en Historisch Genootschap Redichem, Jrg. 13, 2009-1, pp. 15-19.

Het was niet altijd rozengeur en maneschijn als door weersomstandigheden de rivier dichtgevroren zat of zijn overtollig smeltwater niet snel genoeg kon verwerken. Men was dan afhankelijk van het openbaar vervoer over de weg die in sneltreinvaart het land veroverde door tram, trein en bus. Wat wel een klein voordeel was als de rivier dichtgevroren was, dat men over het ijs een Noord-Zuid-verbinding had, wat anders door de pontveren verzorgd werd. Tevens had men kans om op de ondergelopen en bevroren uiterwaarden te gaan schaatsen.

Normaal was men voor het Noord-Zuid vervoer aangewezen op de
plaatselijke veren, om enkele te noemen: het veer De Preats, vervangen door de schipbrug te Arnhem, Drielse veer, Heterense veer, Renkumse veer, Lexkesveer en Rhenense veer.

In eerste instantie was dit met een roeiboot, later steeds vaker met een gierpont, (uitgevonden door Prins Maurits, om troepen over te zetten) en nog weer later met de motorpont. 
Zo ging het ook met het Renkumse veer. Dat begon in 1742 via genoemde hofstede. Het Renkumse Veer aan de zuidkant van de Rijn als een zogenaamd voetveer. Het werd verzorgd door de fam. Lippens tot 1804, daarna door de fam. Ockhorst tot 1842, die de verzorging weer overdroeg aan Jan Boll. Deze Jan Boll raakte bevriend met Koning Willem III en die verleende hem op 9 april 1862 een concessie om het voetveer om te zetten naar een pontveer. Het werd een gierpont waarop men met rijtuigen en wagens de rivier kon oversteken. Ook werd de Meentweg verbreed (was een voetpad) en kreeg de naam Veerweg.
Die Jan Boll had een dochter Elisabeth. Zij trouwde met de heer G. v. d. Bergh in 1887. Deze familie en hun nazaten hebben het Renkumse veer ruim 80 jaar onderhouden tot ongeveer 1968, toen de brug over de Rijn en de A50 werden opengesteld. Deze oeververbinding is van eminent belang geweest voor het openbaar vervoer tussen de Veluwe en de Betuwe, zowel voor het dorp
Renkum als de industrie. Eerste kwamen er de steenfabrieken en na 1912 kwam de papierfabriek, waar veel Betuws personeel werkte. In en om het veer was voor 1940 veel bedrijvigheid. Veel schepen voerden materialen af en aan voor zowel de steenfabrieken als de papierfabriek. Aan de Heterense kant de pakketdienst van Concordia en aan de Renkumse kant aan de loswal het lossen van zand en grind.
In eerste instantie werd het zand en grind zo vanuit het schip zo los op de wal gehesen, maar bij hoog water spoelde de Rijn het geloste zand weer weg, waarop men een stalen trechter op poten bouwde op voldoende hoogte. Zo werd het zand in de trechter gehesen. Onderin de trechter zat een schuif. Als een vrachtwagen onder de trechter reed, werd de schuif opengetrokken en zo kon de vracht een stuk gemakkelijker geladen worden. Het leed van wegspoelen was verleden tijd. 
Wat ik hierbij persoonlijk wil vermelden is dat mijn grootvader, Gradus van der Schouw met zijn zandschip Eben Haezer in de jaren 1900-1912 op diezelfde loswal zand voor het veer heeft gebracht.

De schoonheid van het dorp Renkum is gelegen in de kom van de Rijn, tussen het Heelsumse en Renkumse beekdal. Door de komst van de industrie heeft het natuurschoon echter wel wat geleden. Als ik denk aan de mondingen van de beken in de uiterwaarden, waar boven het moerasgebied de juffers zoemden en uit hogerop de koeien graasden, dan krijg ik heimwee. Maar juist door die industrie bleven de gevolgen van transport op eigen terrein niet uit. Vooral voor de steenfabrieken, die langs de Rijn werden gebouwd moest het materiaal, dus de klei, uit de uiterwaarden vervoerd worden met behulp van smalspoor. Vanaf de Noordberg (oude naam was Oordberg) is er langs de oever van de Rijn achter de kribben een zogenaamde zomerdijk. Daar lag de rails van het smalspoor. Getrokken door een stoomlocomotiefje werd de klei op kantellorries naar de fabriek gebracht. Over het dijkje via de Jufferswaard. Na fabricage kwamen de gebakken steen dan op het zgn. tasveld te liggen voor transport. Dat transport werd dan veelal
nog via zeilschepen (later motorschepen) gedaan door bemiddeling van de schippersbeurs aan de Veerweg en later de Melkdam bij Jan van Wamel.
Zo dacht de directie van Van Gelder en Zonen er ook over om zo'n
afgegraven kleigat te benutten en bouwde in 1912 een nieuwe papierfabriek aan de Rijn en maakte van zo'n kleigat een haven voor de aanvoer van hout en kolen en transport van de rollen papier via het schip de Eendracht.
Op eigen terrein van de fabriek werd het transport van kolen voor de electriciteitscentrale vanuit het schip via het zgn 'luchtspoor" naar de centrale gebracht.
Het transport van de houten palen gebeurde via normaal smalspoor door palenlorries, getrokken door een elektrische tram en later door een diesellocomotief. Afvoer van afval en houtsnippers ging via de kantellorries via hetzelfde smalspoor naar het stortveld. Als jongetje van een jaar of 10 stak ik het spoor over bij de Veerweg en mocht ik een enkele keer meerijden, dat vond ik natuurlijk geweldig!

Nu heden 2009, is het de bedoeling om via de verlegde Veerweg weer een fiets/voetveer in ere te herstellen. Als dit weer werkelijkheid word, kan men vanuit het dorp via het Renkumse veer dan weer oversteken en via de oude steenfabriek Het Smalspoormuseum bezoeken. Hierna kan men via de Steenkuil (nu Renkumse Veerweg geheten) dan naar de Rijndijk fietsen in
oostelijke richting en via Heteren naar het Drielse Veer, waar men vanaf de dijk een prachtig uitzicht heeft op de zuidelijke Veluwerand. Dat veer maakt dan de oversteek over de Rijn naar de Westerbouwing om door de bossen van Doorwerth en Heelsum weer terug te keren in Renkum. Tabaksvelden en zalmvissers zijn geweken voor de industrie.....
De Rijn en Renkum zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en men begint dit gelukkig nu in te zien om de natuur weer in oude glorie te herstellen. Niet alles is terug te draaien, en dat hoeft ook niet, maar de beken zijn al gedeeltelijk hersteld. De Veerweg was lamgelegd, maar komt zeker weer tot leven als het Renkumse veer er weer mag varen.

Gerard van der Schouw

Bronnen:
F. Hellinga, Vereniging Oud Wageningen, nr 6-1994
Wes Beekhuizen, Groen was mijn dorp
John Bartels; Aanbiedingsvoorstel 2007, CDA gemeente Renkum
Norske Skog Parenco, stichting Papiermuseum Renkum/Heelsum
Geert Maassen, De Zuidzoom WV

Burgsteyn en Heyers, Sjouwen door Renkum 

zaterdag 20 december 2008

NBM

Dit artikel is eerder verschenen in Echo's van zes dorpen", uitgave van het Genealogisch en Historisch Genootschap Redichem, Jrg. 12, dec. 2008, pp. 7-10.

In de vorige editie van de “Echo's” stond het verhaal van de tram. De tram onderhield de verbinding tussen Arnhem en Rhenen en werd in het jaar 1937 opgeheven. Het vervoer werd overgenomen door autobussen, die goedkoper waren en flexibeler konden rijden.
De NBM kocht kleine busondernemingen op, waardoor ook de NV-WEBO (Wagenings-Edese-Bus-Onderneming van de firma Van de Weerd) niet langer kon blijven rijden. Inmiddels was de tweede wereldoorlog uitgebroken en de NBM probeerde met de overgebleven bussen het openbaar vervoer gaande te houden.


In het begin reden de bussen, waaronder de roodgekleurde Volvo van de WEBO, nog op benzine. Die werd zo schaars, dat op gasgeneratoren moest worden overgestapt. Achter de bus werd een generator gekoppeld, die werd gestookt met elke vaste brandstof, die maar voorhanden was. Antraciet, turf, of blokjes hout konden zo worden omgezet in brandbaar gas. Bij die omzetting was ook lucht nodig, die door middel van een luchtklep werd aangezogen.

Ik zat in 1943 op de nijverheidsschool, later de ambachtschool. Als de bus voor school stopte was er voor ons kwajongens natuurlijk een mooie gelegenheid achter de bus om te lopen. De buschauffeur kon dan niet zien, dat we de luchtklep dicht hielden met het gevolg, dat de motor afsloeg. De buschauffeur was dan pisnijdig, want hij moest dan de bus uit, op de generator klimmen om te ontluchten en dat was een vies baantje.
Vanuit de school werd er wel toezicht gehouden en o-wee als je betrapt werd. Dan waren de rapen zuur. Dan kon je in de middagpauze een week lang niet naar buiten, want dan moest het schoolreglement eindeloos vermenigvuldigd worden. 
De oorlog liep teneinde. Door de luchtlanding in september kwamen we in de frontlinie terecht. Negen maanden zijn we geëvacueerd geweest. Toen we hoorden, dat op 5 mei 1945 in Wageningen de capitulatie was getekend, konden we weer terug naar Renkum. We vonden de gehavende Dorpsstraat en heel veel gehavende huizen terug. Ook voor het openbaar vervoer was de ravage aan gebouwen en materieel enorm. In de zomer van 1945 kwam het vervoer mondjesmaat op gang. 
In eerste instantie kocht de NBM legertrucks en bouwde deze Dodges om tot noodbussen. Op de laadbak waren houten banken geplaatst en er werd een zeildak opgezet.
Aan het einde van de laadbak waren schotten met een raam bovenin bevestigd met daartussen de instapdeur. In de volksmond werden de Dodges kippenhokken genoemd, maar wij jongeren vonden de nogal donkere “bussen” verrekte gezellig. Vooral als we met andere scholieren van de HBS, MULO en Ambachtschool naar Wageningen gingen.
In de beginperiode van de oorlog werden door de afgezonderde positie van de buschauffeurs voor het eerst ook conducteurs ingezet. Wij schoffies kwamen er al snel achter, dat zo ́n conductrice niet voor de poes was. Kon je je gemak niet houden, dan werd je onverbiddelijk uit de bus gezet en dan kon je naar school lopen. Conductrices, die ik me nog herinner waren de dames Meiske en Stuart uit Renkum. Een Wageningse, weet ik ook nog, was Van Veenendaal.
Aan het einde van 1946 werden de kippenhokken al snel vervangen door opleggers. In de loop van 1947 kwamen de eerste echte bussen. De Engelse Crossley ́s waren zeer degelijk en hebben zeker 10 jaar meegedraaid.

Mijn zwager werd in 1951 in bewusteloze toestand naar het Elisabeth Gasthuis gebracht. Dokter Van de Voort- Maarschalk constateerde een herseninfarct. Pas na 2,5 jaar kwam de patiënt weer thuis. Iedere dag gingen familieleden naar de bushalte bij de klok van het Arboretum aan de Generaal Foulkesweg en namen daar de bus naar het ziekenhuis. Wij hebben heel veel ritjes met die Crossley's gemaakt. Nooit panne gehad. Tegenwoordig is een betrouwbare bus iets vanzelfsprekends. Nu hebben we files.

G. van de Schouw Jzn.

bron: NBM 75 jaar 

donderdag 15 juni 2006

Verslag van een ooggetuige

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Echo's van zes dorpen, juni 2006, pp. 14-19

(VOORLOPIG MET ILLUSTRATIES VAN BEPERKTE KWALITEIT)

Door H.C. Wildeman - van Schijndel

Naar aanleiding van het verzoek van de heer G.H. Maassen jr., of hij een schetsje zou willen maken van de moestuin van Ariëns waar gedurende de septemberdagen van 1944 Britse militair gesneuveld was, vertelde Gerard van der Schouw het volgende verhaal:
Op zaterdag 30 september 1944 (ca 16.00 uur), de dag vóór de evacuatie, hebben de toen 16-jarige Gerard van der Schouw, woonachtig aan de Achterdorpsstraat nummer 3 te Renkum en zijn 14 jarige vriend Henk Jansen, zoon van de smid, wonende aan de Dorpsstraat, ongeveer halfweg de Melkdam, in het weiland, op het eind van de kleibult, een gesneuvelde Britse militair zien liggen, waarbij een Duitse soldaat de wacht hield. Omdat de jongens de zaak niet vertrouwden, keerden ze om voordat er eventueel op hen geschoten zou kunnen worden en verlieten zo snel mogelijk de plek des onheus.
Over een noodbegrafenis van deze Britse soldaat in de moestuin van Ariëns was Gerard toen niets bekend. Dat verhaal bereikte hem pas jaren later. Wel was er volgens Gerard in die dagen sprake van een noodbegrafenis in de moestuin van de familie van Wamel, woonachtig in het hoekhuis tegenover de rooms katholieke kerk aan de Dorpsstraat.

Afbeelding: Schets van dhr, van der Schouw van de Jufferswaard waar in september 1944 een Britse soldaat zou zijn begraven. (Schets: Collectie G.A. W. van der Schouw),

Na de Tweede Wereldoorlog zou van daaruit het stoffelijk overschot van deze Britse militair zijn herbegraven op het Rooms Katholieke kerkhof aan de Groeneweg te Renkum.
Op de vraag, of die noodbegrafenis in de moestuin van de familie van Wamel daadwerkelijk had plaatsgevonden, kon Gerard geen bevestigend antwoord geven. Hij had het veldgraf van deze Britse soldaat nooit gezien, omdat de bevolking van Renkum de volgende dag, voor lange tijd, het dorp moest verlaten om elders een veilig heenkomen te zoeken.
In de namiddag van 30 september 1944 volgde na aanhoudende beschietingen in de omgeving van de Jufferswaard, de steenoven van Ariëns, een rustpauze. In deze rustperiode gingen de jongens weer de straat op. Daar zagen zij later aan het begin van de Dorpsstraat tussen de Rooms Katholieke kerk en het postkantoor een platte wagen op luchtbanden getrokken door een paard, die in de richting van Wageningen reed. Op de bok zat een koetsier in burgerkleding. Op de wagen lagen lichamen van gesneuvelde militairen, die bedekt waren met een zeil. Of het Britten of Duitsers waren, was niet zichtbaar. Het enige dat de jongens konden zien, waren schoenzolen die onder het dekzeil uitkwamen.
Ongeveer een kwartier later passeerde hen op dezelfde plaats in de Dorpsstraat, onder bewaking van twee Duitse soldaten, een groep van circa twintig Britse militairen. Blijkbaar krijgsgevangen. Zij droegen rode baretten en maakten het V- teken. Hiermee wilden zij waarschijnlijk de bevolking van Renkum duidelijk maken, dat de strijd nog niet was verloren, dat zij zouden doorgaan tot het bittere einde.

Tot zover het ooggetuigenverslag.

Op de volgende pagina ziet U een detail van een luchtfoto van het betreffende gebied ('De Jufferswaard') waar de genoemde Britse militair begraven zou zijn.

Afbeelding: Detail van een luchtfoto uit 1944 van de Jufferswaard in Renkum. (Zie ook 'Echo 's van zes dorpen' mei 2005, jaargang 8 nummer 1). (Bron: Collectie G,A. W. van der Schouw / W. U.R.).

vrijdag 15 juli 2005

De tentoonstelling "Dorpsstraat van Renkum"

Dit verslag werd eerder gepubliceerd in Echo's van zes dorpen, juli 2005, pp. 3-4

Verslag door Gerard van der Schouw, Wageningen.

Deze tentoonstelling werd op zondag 10 juli j.l. verzorgd door 'n aantal leden van 't “Genootschap Redichem" en wel van 11.00 - 17.00 uur op 't "Everwijnsgoed" aan de Bennekomseweg 160 te Renkum.

Als donateur van dit genootschap was mijn nieuwsgierigheid wel geprikkeld, hoe deze leden dit in een historische boerderij van ca. 200 jaar oud zouden inrichten. Met 't oog op het feit dat 't niet in 't dorpscentrum was, of er dan wel voldoende belangstelling zou zijn!
Ondergetekende pakte dus z'n autootje en tufte vanuit Wageningen naar de Bennekomseweg 160 te Renkum, parkeerde mijn vehikel in de schaduw van de bomen en ging met mijn vrouw op zoek naar de tentoonstelling. We belandden in een gedeelte van de boerderij alwaar de kunstenaars hun kunststukken tentoonstelden, waar we dus niet moesten wezen. Deze mensen waren zo vriendelijk ons te verwijzen naar een ander gedeelte van de boerderij. Via het restaurant liepen we binnendoor naar de deel. Zo belandden we bij de gezochte tentoonstelling.
Wat ons zo wie zo opviel, dat de belangstelling hiervoor groter was dan we eigenlijk verwachtten. Later vernamen we, dat er in de zes uurtjes van de openstelling, toch zo'n ca 350 bezoekers waren geweest. Het leukste was, dat je weer zoveel oude bekenden ontmoette en was de belangstelling voor elkaar nog groter, dan voor de tentoonstelling. De tentoonstelling op zich was goed ingedeeld zeker gezien 't verschil van het heden en het verleden!
De lectuur op de borden vond ik teveel van 't goede, alhoewel de lectuur op de tafels wel gretig aftrek vonden, terwijl ik zelf graag nog wat meer oude foto's op de borden had gezien.
Toch wil ik de leden hiervoor in positieve zin 'n compliment geven voor al dat werk, want eigenlijk is 't op zo'n boerendeel moeilijk om zoiets op te stellen, want of de borden hingen te hoog aan de draad of 't was lastig deze aan bepaalde steunbalken te bevestigen en toch moesten deze borden in een korte tijd geplaatst zijn!
Verder werden we door de dames onthaald op de koffie en op de foto gezet door de voorzitter, terwijl Ab nog aan belangstellenden wat eigen foto's liet zien en van commentaar voorzag, in ieder geval kan men terugzien op een succesvolle tentoonstelling, want het blijkt dat de Renkummers hun achtergrond toch niet verloochenen en de jeugd veel belangstelling had voor de oude geschiedenis van 't dorp!

Jeugdherinneringen aan dorpskern Renkum en Jufferswaard (2)

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Echo's van zes dorpen, uitg. juli 2005, pp. 11-23

VOORLOPIG MET ILLUSTRATIES VAN BEPERKTE KWALITEIT

Door G.A.W. van der Schouw.

We vervolgen onze rondwandeling door de Dorpsstraat van Renkum bij Café van Wamel, Dorpsstraat nummer 2. Daar ging ’s zaterdags na werktijd vanaf de "Jufferswaard" en 's zondags na de hoogmis menigeen een hartversterkertje halen. Op nr. 4 zat Paul Verhoef met sigaren van allerlei merken zoals Schimmelpenmnck, Hofnar, Panter, Willem 11 enz. en niet te vergeten de rooktabak van Friese Herenbaai, Rode Ster en vooral de pruimtabak B.K. die favoriet was bij opa van der Schouw. Toen Paul Verhoef er mee stopte, kwam daarin de groentezaak van de fam. Klomp, met verschillende kinderen, waarvan ik me nog Jan en Gijsje herinner.
Op nr. 6 zat dameskapsalon Bouwman (voorheen Remmerden), die de dames voor het weekend weer aan een net kapsel hielp. Naast de kapper op nr. 8 de winkel en op nr. 10 de smederij van W.G. Jansen "de smid". Daar heb ik goede herinneringen aan, omdat ik vaak een babbeltje maakte met zijn zoon Henk en zijn dochter Miep. Deze had een goede zangstem. Ook had ik een keer, met het sleetje rijden vanaf de schoolweg (Don Boscoweg) richting Dorpsstraat zo'n snelheid, dat ik de Dorpsstraat over vloog en in de smederij van Jansen belandde, waarop Jansen me vroeg: "Kom jij me helpen vriendje?" Ik wist op dat moment geen antwoord.

Dan had je op nr. 12 Henk Kaal, een grote stevige man die een manufacturenzaak dreef en op nr. 14 zat de vishandel van de fam. Rijsemus, met de zonen Godefried, die later een viszaak had in de Veerstraat in Wageningen, Hans de middelste van de jongens en Joost de jongste, die later vertegenwoordiger werd bij een autobedrijf in Wageningen. Van de dochters van de familie herinner ik me nog Mien en Grada.
Daarna kwam de bekende kruidenier Jantje J. Jacobs, met op nr. 16 de winkel en op nr. 18 het woonhuis. Deze man bedacht altijd voor zijn winkeletalage iets leuks b.v. tegen de paastijd een elektrische springende haas of een bewegende kip met eieren erom heen en in december een elektrische spoortrein, die door de hele etalage liep, waarvan ik uren kon genieten. Prachtig vond ik dat!
Niet te vergeten de fietsenmaker Jan Lentjes op nr. 20, die alles wat krom was recht wist te maken, desnoods met behulp van hamer en tramrails! En op nr. 22 had je Deci v. d. Burg, de bakker, naar ik meen met 2 zonen, Dick en Cor. De winkel lag gelijk met de Dorpsstraat en werd bediend door Mw. v.d. Burg - Maters, terwijl de bakkerij onder het woonhuis en de winkel was. Tussen nr. 20 en 22 was ook nog een open ruimte waarop een loodsje tegen nr. 20 was aangebouwd, bestemd voor opslag van de takkenbossen. Deze werden gebruikt voor het stoken van de bakoven van de bakkerij. In de bakkerij stond een lange tafel waarop het deeg in bakvormen werd gedaan.
Nr. 24 was het woonhuis dan de fam. Maters, de schoonouders van bakker v. d. Burg. Het was n.l. een dubbel blok d.w.z. dat de nrs. 22 en 24 onder één kap vielen. Naast nr. 24 lag een steegje.
Daarna volgde een blokje van 3 winkel - woonhuizen met de nrs. 26-28-30. Op nr. 26 bedreef Willem Heij zijn sigaren en sigarettenhandel. Op nr. 28 zat het café van A.H. Leeuwis of te wel Bart Leeuwis, die daar de scepter zwaaide. In dat café werd éénmaal per jaar en wel op 5 oktober door opa van der Schouw met zijn 3 zonen de verjaardagsborrel genuttigd. In dat pand werd later de apotheek "Renkum" gevestigd! En op nr. 30 hadden we dan de kapper Eduart de Jong, waar op woensdagmiddag de kinderen voor één dubbeltje geknipt werden.

Na weer wat tussenruimte kwam een blokje van 2 woonhuizen met de nrs. 30a en 32. Mw. Emmen - Stroucken had op nr. 30a een winkeltje in souvenirs en beelden voor katholieke gezindten, terwijl op nr, 32 dhr. H. Staring onder zijn huis een meubelmakerij had. Na nog wat tussenruimte en tevens wat verder van de Dorpsstraat afgelegen had je dan de nrs. 34 en 34a.
Op nr. 34 woonde Mw. Franken. Daar stond ook nog de oude dorpspomp, die vroeger werd gebruikt voor mens en dier, terwijl op 34a de "vrachtrijders" van dhr. Pluim hun bedrijf uitoefenden. De nrs. 34 en 34a zijn omstreeks 1941 afgebroken en op de opengevallen plek is in de jaren 1945-1947 een noodwinkel geweest in kruidenierswaren. Dan wat ruimte waarop villa "Margaretha" stond en nog steeds staat, waarmee ik mijn verhaal begon bij de belichting van het zuidelijke gedeelte van de Dorpsstraat.
Om de wandeling rond te maken wil ik nog even terug naar de hoek van de Melkdam en de Dorpsstraat. Vanaf de Melkdam gezien, kon je dan ook rechtstreeks op de Utrechtseweg kijken, alwaar je dan in oostelijke richting tot de bocht bij het klooster (21, zie kaart op pagina 14 en 15) van de zusters deze weg kon volgen. Vanuit die bocht gaan we terug in westelijke richting, dan had men tussen het klooster en de Schoolweg nog een geel gesausd huis van 2 onder één kap, waarvan aan de oostzijde de familie Emmen woonde en aan de westzijde de familie Gerritsen. Hierna kwam de Schoolweg en dan een dubbele woning (22), waarvan aan de oostzijde de familie Harten woonde. Dit huis werd op 18 september 1944 door
oorlogshandelingen zwaar beschadigd. Daar vonden tijdens herstelwerkzaamheden de schilder Emmen uit de Dorpsstraat en zijn zoon Theo de dood. Aan de westzijde van de dubbele woning bij de Schoolweg woonde het hoofd van de Ned. Herv. School, meester Schuurman, ook "het krielhaantje" genoemd. Daarna de naar achter gelegen Ned. Herv. School met een schoolplein ervoor dat tot aan de Utrechtseweg
reikte, waar de ''Wilhelminalinde" (23) met het fraaie smeedijzeren hekwerk er omheen het schoolplein sierde.
Afbeelding Pagina 14 en 15: Detail van een luchtfoto uit 1944 van het dorpscentrum van Renkum waarop bovenstaande huizen staan aangegeven. (Bron: Collectie G.A. W. van der Schouw, W. U.R.).

De complete route:
Nr.1
Nr.2
Nr.3
Nr.3a
Nr.4
Nr.5
Nr.6
Nr.7
Nr.8
Nr.9
Nr.10
Nr.11
Nr,12
Nr.13
Nr.14
Nr.15
Nr.16
Nr.17
Nr.18
Nr.19
Nr.20
Nr.21
Nr.22
Nr.23

Nr.24

Nr.25
A’dorpsstraat 5
Kerkstraat
Dorpsstraat
Dorpsstraat
Veerweg
Veerweg
Veerweg
Veerweg
Veerweg
Zomerdijk
Zomerdijk
Zomerdijk
Melkdam
Melkdam
Zomerdijk
Zomerdijk
Zomerdijk
Melkdam
Melkdam
Melkdam
Melkdam
Utrechtseweg
Utrechtseweg
Utrechtseweg -

Utrechtseweg -
Dorpsstraat
Dorpsstraat 3+5+7
winkel slager D. v. Beek (woonh. A’dorpsstr.5a)
Ned. Herv. Kerk
villa "Margaretha"
kruising Veerweg / Kerkstraat
kruising chloorbeek
kruising fabrieksspoor
luchtspoor (kolentran sport)
Veerhuis
Veerkop - loswal
zandplaat (ten oosten v. d. Veerkop)
zwembad
schuit van Stef v. Wamel
boerenhuis Ariëns (ovenbaas)
stulpje de Bruijn (stalknecht)
steenoven "Jufferswaard"
ligplaats rivierschepen
zanddroger dhr. Gerritsen
ijsbaan IJsvereniging "Vooruit"
drooghutten "Jufferswaard"
eindpunt klei-opslag "Jufferswaard"
schippersbeurs Jan v. Wamel
Klooster "St. Maria"
woning familie Harten
"Wilhelminalinde"
(Ned.Herv.School)
kerkplein R.K. Kerk nr.153
kerkplein en pastoie nr. 1
huize "Frisia"
*
**
***
Groenedaalseweg 73
Achterdorpsstraat 3
Bergerhof 9
Geboortehuis Gradus v.d.Schouw, 1866
Geboortehuis J.Th.v.d.Schouw, 1904
Geboortehuis G.A.W. v.d.Schouw, 1928

Afbeelding: Op deze kaart nog enige bijzonderheden in de omgeving van Renkum met o.a. De Kortenburgse-, Molen-, en Heelsumsebeek, de steenfabrieken en het oude veer. (Kaart: Collectie G.A.W. van der Schouw).
(16) (17)
Naast de school stond "Ons Huis" dat bewoond werd door de familie de Leeuw, met parallel aan dat schoolplein een lange voortuin, die ook tot aan de Utrechtseweg reikte. In deze voortuin staat nu dichter naar de weg toe een woning.
Vervolgens had men een dubbele woning die bewoond werd door de familie Luyks, waar nu de "antiek"-handel van de fa. Bregman is gevestigd. Naast de oprit van de fa. Bregman een woning die bewoond werd door de gezusters Remmerden.
Dan kreeg je woning nr. 149 met daar achter de garage van Herman Termaten, met aan de westzijde van het woonhuis een brede oprit naar de garage toe.
Hierna volgde villa "Lemgo" op nr. 151, waarin veel verenigingen van "roomse" zijde vergaderden. De ingang was aan de westzijde van de villa aan het kerkplein van de R.K. Kerk.
De R.K. Kerk stond (staat) wat verder van de weg af, met een groot kerkplein (24) ervoor, dat tot aan de Utrechtseweg reikte. De nummering van de kerk was en is nog steeds nr. 153. Op het kerkplein is in de vijftiger jaren een monument opgericht ter nagedachtenis aan de jongens uit de R.K. gemeenschap die gesneuveld zijn in de strijd om het behoud van Indonesië 1945-1950, te weten Anton van Kesteren, Dolf Verstegen en Piet Jacobsen. Later zijn ook de namen van de andere gesneuvelde jongens uit Renkum op de gedenkplaat van het monument geplaatst n.l. H. Blauw, T. van Gelder, G.A. Welle en D. Schenkhof.
Het kerkplein was aan de straatzijde afgebakend met 2 pilasters, waarin scharnieren waren bevestigd en aan die pennen hingen witgeschilderde houten hekken, die tijdens processies werden gesloten.
Tevens liep langs de straatzijde naar de oostzijde tot de oprit van de garage van Herman Termaten en naar de westzijde tot en met de pastorie een stenen muur met daarop een ijzeren hekwerk gemonteerd. De ingang van de R.K. pastorie lag aan de oostzijde van het kerkplein.

Tussen de panden van garage Termaten en de pastorie lag in 1936 de tramrails met een bocht vanuit de Utrechtseweg in westelijke richting het dorp in. In die bocht had de rail een binnen keerrug waardoor het regenwater er vaak zand in spoelde, waar in het voorjaar de hagedisjes zich heerlijk in het zand koesterden.
Zo nam ik ook een keer een hagedisje mee naar school en zette hem in het klaslokaal bij mijn bank op de grond. Binnen de kortste keren was het raak, want dat beestje bleef niet op zijn plaats zitten en ik kon verdwijnen met mijn vriendjes, omdat dit niet op prijs werd gesteld. En dat heb ik toen geweten!
Aan de westzijde van de pastorie liep een “eigen weg”. Nu is dat de Don Boscoweg die vanaf de Dorpsstraat langs de Don Boscoschool, toen de R.K. Jongensschool, loopt. Deze eigen weg behoorde bij de pastorie. Voorbij deze weg kregen we huize "Frisia" (25) waar aan de oostzijde van het pand J.Th. ofwel Jo v. Swaay woonde. Hij was de koster van de R.K. Kerk. Aan de westzijde woonde de familie Jan Peelen met hun twee dochters, Doortje en Bertha. Hun voordeur mondde uit in het steegje dat naar de huizen van de Achterdorpsstraat nr.l en 3 liep, waar de familie v.d. Schouw woonde. Dat steegje werd gevormd door de westzijde van huize "Frisia" en de slagerswinkel van de familie D. v. Beek. Deze was nog genummerd als Dorpsstraat
nr.7. Vroeger liepen de nummers iets anders n.l. huize "Frisia" had de nrs. 3-5-7 en had de ingangen: oost = nr. 3; zuid = nr. 5; west (steegje) = nr. 7; ingang zuid is later vervallen en men heeft de nummering opgeschoven. Van hieruit ben ik ook met mijn verhaal begonnen!
Ik wil de roots vanuit mijn geboortedorp niet verloochenen en wat ik heb meegekregen aan liefde voor de natuur en railvervoer. Ik heb nog steeds bewondering voor Wes Beekhuizen zoals hij ons dorp en de natuur beschrijft in zijn prachtige boek "Groen was mijn dorp" uit 1973, waaruit ik nog verschillende herinneringen ophaalde over dingen die er omstreeks 1938 nog waren en nu veranderd of verdwenen zijn.

Afbeelding: Plan herstel van het perceel Achterdorpsstraat 5 te Renkum (1945). (Kaart: Collectie G.A.W, van der Schouw).
Afbeelding: "Schouwburcht", 1903 t/m 1945, Achterdorpsstraat nummer 3 te Renkum. (Foto: Collectie G.A. W. van der Schouw).

Het leeftijdsverschil tussen hem en mij is nog altijd 24 jaar, maar ik hoop toch dat ik op deze manier mijn steentje heb kunnen bijdragen aan de historie van ons mooie dorp.
Ik vind het nog altijd jammer, dat het railvervoer in onze zuidwest hoek van de Veluwe niet zo spaarzaam is bedeeld, wat veel behoud van de natuur had betekend!
Toen de elektrische tram van Arnhem via de Veluwezoom naar Utrecht, in 1937, werd opgeheven, vond ik dat als kind maar niks, dat er bussen gingen rijden. Als ik met opa mee mocht naar het stortveld van de papierfabriek, dan keek ik uit naar het trammetje met stortvuil dat bestuurd werd door Chr. Versteeg; dat was in ieder geval een tram!

Afbeelding: Familie G. van der Schouw. Deze foto is genomen tegen de achterzijde van het slachthuis van slagerij Joost de Wit resp. Dirk van Beek. Op de foto in het middenstaand, zoon Johan die zijn verplichting aan 'de Nationale Militie' vervulde. Foto uit 1924. (Collectie G.A. W. van der Schouw).

Het vervoer zat ook wel in de familie, nl. ca. 1850 was Jan v.d. Schouw vrachtrijder en bierdrager; ca. 1900 was opa, Gradus v.d. Schouw (*) schipper in zand en steen; ca. 1936 trouwde een dochter van opa, Marie, met schipper L.A. Wennekes; ca. 1925 wilde mijn vader, Jo v.d. Schouw (**), chauffeur worden, maar wegens familieomstandigheden lukte hem dat niet en ondergetekende (***) was altijd al gecharmeerd van railvervoer en ging vanaf ca.1948 vaak op de fiets naar mijn vriend in Ede, waar we naar het station Ede -Wageningen gingen om daar de treinen en stoomlocomotieven te bestuderen. Later, omstreeks 1954, ben ik nog met Wim v. Kesteren, (hij woonde aan de zandweg nabij de Hogenkampseweg) gestationeerd geweest op het NS-depot in Arnhem. Daar reden we als leerling-machinist op stoom naar Winterswijk in het personenvervoer en het goederenvervoer. Dat gebeurde ook in "Het Broek" te Arnhem of in "De Aam" te Eist. Het was hard werken, maar ik deed het met plezier, Vooral als ik met machinist Evert Mulder, Wim v. Barneveld of Joling op de locomotief nr. 3742 de rit Arnhem / Winterswijk ging maken via Zevenaar en Doetinchem door het boeiende Achterhoekse landschap, was dat
voor mij het einde! De locomotief nr. 3742 werd gesloopt op 18 juli 1957 bij de fa. Simons te Rotterdam.
Inmiddels was ik getrouwd en heb i.v.m. de gezondheidstoestand van mijn echtgenote en op medisch advies het besluit genomen om hiervan af te stappen, Hoewel het heimwee naar het railvervoer altijd is gebleven. De tijden veranderen en daar ontkomt niemand aan. Zelfs de NS niet, want daar werd in 1958 het stoomgedeelte opgeheven!
Het railvervoer en het gevoel voor de natuur heb ik in mijn geboortedorp leren ontdekken en draag dit nog altijd met mij mee. Ik hoop hiermee een kleine bijdrage te hebben geleverd aan de historie over mijn jeugd in het mooie Renkum aan de Rijn aan rand van zuidwest Veluwe!

Geboorteplaatsen:
(*) Groenendaalseweg 73 - G. v.d. Schouw (1866)
(**) Achterdorpsstraat 3 - J. Th, v.d. Schouw (1904)
(***) Bergerhof 9 - G.A.W. v.d. Schouw (1928)

Bronnen:
• Groen was mijn dorp, van Wes Beekhuizen
• Speciale Collecties, Bibliotheek Wageningen U.R.
• Foto-overzicht Dorpskern Renkum, 3147 106G 2816 12 SEP 44F/36//541 SQDN